Wie iets beweert, moet bronnen citeren

Wie iets beweert, moet bronnen citeren

Othman El Hammouchi wordt door Joël De Ceulaer als islamitisch wonderkind over het paard getild. In een discussie met Joren Vermeersch blijkt dat hij zijn eigen islamitische bronnen niet goed kent.

Op Doorbraak (21/10) publiceert hij nochtans een lezenswaardig stuk waarin hij een lans breekt voor een herwaardering van het christendom, maar niet ten koste van anderen. El Hammouchi is achttien jaar en werd eerder door Joël De Ceulaer in De Morgen (16/10) opgevoerd als een briljante jongeman die de aandacht getrokken heeft van Etienne Vermeersch en zich met graagte mengt in het maatschappelijke debat, zij het met conservatieve standpunten (wat De Ceulaer nogal tegenviel). Dat blijkt ook uit zijn bijdrage op Doorbraak, waar hij reageert op het lezenswaardige stuk van een andere Vermeersch, een zekere Joren, Waarom ik mijn kinderen toch laat dopen. Confessie van een hedendaagse agnost (Doorbraak 13/10).

Joren V.  (ik gebruik de voornaam omdat de verwarring met de professor anders steeds weer opduikt) stelt met zeer duidelijke argumenten dat de huidige antigodsdienstige stroming in Europa zich vergist en dat de doctrine van de mensenrechten, die zij toeschrijft aan de Franse Revolutie, feitelijk voorkomt uit de christelijke moraal. De christelijke moraal, niet de christelijke kerk. Hij citeert Paulus in Galaten 3:28: ‘Er is geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw. Jullie zijn allemaal één in Christus Jezus’. Je zou nog kunnen stellen dat die gelijkheid zich afspeelt binnen de christelijke gemeenschap, maar Lukas 6:31 is nog duidelijker in wat ‘de Gulden Regel’ heet: ‘Behandel de mensen zoals je wilt dat ze jullie behandelen’. De mensen. Niet slechts de medechristenen. Verderop laat Lukas Jezus zelfs zeggen dat je je vijanden lief moet hebben (6:35a).

De leer van principiële gelijkheid

Natuurlijk hanteerde Paulus die leer niet om de slaven aan te zetten tot opstand, integendeel, en dat beweerde Joren V. ook niet. Paulus moedigde een weggelopen slaaf zelfs aan om terug te keren naar zijn (christelijke) meester met een oproep aan die meester om hem te behandelen niet meer als een slaaf maar als een geliefde broeder (Philemon 12, 16). Niet omdat hij voor slavernij was, maar omdat hij de strijd ertegen energieverlies achtte: mensen moesten er in dit leven het beste van maken, in de conditie waarin god hen geplaatst had, de beloning volgde in het hiernamaals. De moderne pogingen om van het christendom een revolutionaire leer te maken, botsen dan ook op de teksten van het Nieuwe Testament. Het christendom predikte onderwerping aan het gezag (Romeinen 13:1-7), maar legde wel het ideologische fundament voor een leer die alle mensen gelijk achtte, ook al bracht de kerk dat eeuwenlang zelf niet in de praktijk.

Die christelijke leer van principiële gelijkheid van alle mensen contrasteert Joren Vermeersch dan met de leer die zes eeuwen later Mohammed van Mekka bracht. Die keerde volgens hem terug naar de klassieke, hiërarchische opdeling van de mensheid in geprivilegieerde en onderworpen groepen, die tot dan toe eigenlijk altijd en overal de norm was geweest. Hij voert hiervoor het beroemde Koranvers 9:29 aan: ‘Bestrijd hen die niet geloven in Allah, noch in de Laatste Dag, die niet verboden stellen wat Allah en zijn Boodschapper verboden hebben gesteld, en die zich niet voegen naar de wezenlijke godsdienst onder wie de Schrift gegeven is, totdat zij uit de hand schatting opbrengen in onderdanigheid’ (vertaling Kramers). Het is het vers dat de fundamentele ongelijkheid vestigt tussen moslims, dhimmi’s en kafirs.

De Gouden Regel voor het eigen volk

De mohammedaanse formulering van de Gouden Regel stamt volgens Joren V. overigens pas uit de dertiende eeuw, uit de Hadith (40:13) van al-Nawawi (1233-1277), dus meer dan zeshonderd jaar na Mohammed: ‘Niemand van jullie is gelovig, zolang hij niet voor zijn broeder wenst, wat hij voor zichzelf wenst.’ Maar hier gaat het niet om alle mensen, maar slechts om de mohammedaanse broeders, dat wil zeggen, de moslims. In een eerdere formulering bij al-Muslim (821-875) wordt de term al-jār gebruikt, en die slaat slechts op de buurman of de ondergeschikte. Ik behandelde die kwestie eerder al in Mohammed aanvaardde de Gouden Regel niet. Ik ga er ook op in, in mijn boek, De Kwestie M. Een gekaapte godsdienst.

Dit contrast brengt Joren V. tot een boude stelling: ‘De massale komst van de islam naar onze contreien (…) dwingt ons om na te denken over de essentie van onze eigen cultuur. In de aanblik van de ander leren we immers wie we zelf zijn. Welaan dan: het Westen is het christendom, zijn beschaving is de christelijke beschaving. Punt. Vrijzinnigen, atheïsten en agnosten zijn, zonder het te beseffen, niets meer dan postreligieuze christenen. Dat geldt ook voor ondergetekende. En ik kan u vertellen dat het bevrijdend werkt om dat in te zien.’

Geen verdrukten maar gefrustreerden

Het is op deze stelling dat Othman El Hammouchi reageert en meteen maakt hij duidelijk hoe gevaarlijk het is als iemand als Joël De Ceulaer hem zo over het paard tilt, want hij begint met te tonen dat hij Joren V. gewoon niet begrepen heeft. Hij schrijft hem namelijk de gedachte toe dat Jezus een antieke Che Guevara was, wat Joren nadrukkelijk niét beweert. Daar stelt hij dan het volgens hem progressieve karakter van het mohammedanisme tegenover: ‘De vroege islam had juist een zeer bevrijdend karakter, omdat het de eeuwenoude tribale structuren verwierp en verving door de eenheid van alle gelovigen ongeacht kleur of volk – de meeste vroege volgelingen waren bijvoorbeeld slaven.’

Hij bewijst dat hij zijn eigen traditie niet kent. Er waren inderdaad enkele slaven onder de volgelingen van Mohammed in Mekka: de neger Bilal die dankzij zijn luide stem de eerste muezzin zou worden; en Zayd Ibn Haritha, die later zijn vrouw Zaynab aan Mohammed zou afstaan. Zij vormden een minderheid. Van Abu Bakr is geweten dat hij zeven slaven heeft vrijgelaten, van Mohammed dat hij een familie in slavernij verklaarde dat hij niets voor hen kon doen. De meesten van zijn intieme kring of sahaba behoorden tot dat deel van de Mekkaanse middenklasse (Abu Bakr, Umar, Uthman) dat de boot gemist had in de karavaanhandel (in tegenstelling tot Abu Sufyan van de Banu Ummaya). De vroege umma was dus geen gemeenschap van onderdrukten, maar van gefrustreerden, zo blijkt overduidelijk uit de Hadith.

Mooie slavinnen telkens eruit pikken

In ruil voor die enkele vrijlatingen (die voor hem ook al voorkwamen) voerde Mohammed duizenden krijgsgevangenen, die voorheen vrij waren, in slavernij en koos hij telkens de mooiste van de buitgemaakte vrouwen eruit om zijn harem te vervoegen (Juwariyah, Rayhana, Safiya, Mariam). Dit is geen laster van christelijke of westerse polemisten, maar de feitelijke traditie die we kunnen lezen in islamitische levensbeschrijvingen. Het strafste was dat met de joodse Banu Qurayzah, waarvan de (zevenhonderd) mannen werden onthoofd (nadat ze zich overgegeven hadden) en de vrouwen en kinderen op de slavernijmarkt werden verkocht. El Hammouchi kan het in geuren en kleuren lezen bij de gezaghebbende Hadith-schrijvers Ibn Ishaq en al-Tabari. Het zou hem sieren als hij zijn bronnen beter zou raadplegen, maar hij is nog jong.

Hij citeert evenwel ook de Afscheidsrede van zijn profeet: ‘Een Arabier is niet beter dan een niet-Arabier; noch is de blanke man beter dan de zwarte of de zwarte beter dan de blanke man, behalve dan door het Godsbewustzijn (taqwa) dat hij verkregen heeft. Waarlijk, de edelste onder jullie is degene met de meeste godsvrucht.’

Weer zou het goed zijn als El Hammouchi leert om zijn bronnen duidelijker te geven. Er bestaan verschillende versies van deze rede. Het dichtst leunt zijn weergave aan bij die van al-Jāhiz (776-868): ‘Jullie stammen allemaal af van Adam en Adam was van stof. De edelste van jullie in Allah’s ogen is hij die het meest godvrezend is. Een Arabier heeft geen verdienste boven een niet-Arabier behalve dan door godvrezendheid.’ (Nuh Keller, Adab of Islam 19). Er is dus geen sprake van zwarten en blanken, maar laten we daarover niet zeuren.

Khadija gaf rechten aan Mohammed

Waar het om gaat is dat hier geen sprake is van gelijkheid tussen de mensen maar van religieuze trouw. Mensen zijn gelijk voor Mohammed, als ze zich onderwerpen aan zijn openbaring. Wie dat niet doet is structureel ongelijk.

In diezelfde tekst van al-Jāhiz staat: ‘De vrouwen die met jou leven zijn als gegijzelden, die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Jij kreeg ze in vertrouwen van Allah en kon wettelijk hun sekse gebruiken door een beslissing van Allah’. Hammouchi zegt daarover: ‘Ook gaf de islam zeer brede rechten aan vrouwen – opnieuw zonder ze gelijk te stellen aan mannen – en richtte een maatschappijvorm in die rekening hield met de enorme kracht van biologische seksuele impulsen teneinde ze te beschermen.’ Vrouwen als seksspeeltje geven aan mannen lijkt mij geen effectieve manier om ze te beschermen. Maar kom.

Weer kent Hammouchi zijn eigen religieuze geschiedenis echter niet. Vrouwen waren belangrijk in Arabië voordat Mohammed aantrad, en hadden toen nog geen bescherming nodig. In Mekka kennen we drie namen van vrouwen die zelfstandig handel dreven, waaronder prominent Khadija, die zelf het aanzoek deed aan Mohammed, en hem uitkoos (en niet hij haar). Hij behoorde tot een oude clan (Hashim) die net niet aan de bedelstaf was. Dankzij haar bescherming kon hij het leven gaan leiden van een aanzienlijk stamlid. Hij gaf vrouwen dus geen rechten, zijn vrouw gaf die aan hem. Zonder haar zou hij nooit een aanhang hebben verworven (zij offerde er trouwens geheel haar fortuin aan op en stierf in armoede).

De Ceulaer moet zich meer moeite doen

Het probleem nu is niet dat Othman El Hammouchi zich vergist, vergissen is menselijk. En ook niet dat hij erg conservatieve standpunten inneemt, dat behoort tot de vrijheid van meningsuiting. Het probleem is dat hij zijn conservatieve standpunten baseert op een verwrongen kennis van de eigen bronnen, en dat is gevaarlijk. Want op die manier kan je om het even wat beweren alsof het om geloofswaarheden zou gaan. Indien Joël De Ceulaer in zijn interview met hem echt kritisch was geweest, dan zou hij daarop doorgevraagd hebben, in plaats van de jongeman over het paard te tillen. Maar misschien was dit van De Ceulaer wel te veel gevraagd, want dan had hij zelf de bronnen moeten raadplegen?

Eddy Daniels

Lees misschien ook het artikel 'Othman El Hammouchi tussen tafel en stoel', van Rudi Dierick over deze jongeman, met aandacht voor o.a. enkele parallellen tussen zijn filosofie en die van het islamisme.

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch