Waarom populisme niet steeds fout is (1)

Waarom populisme niet steeds fout is (1)

REDACTIE – De mainstream-media gebruiken de term ‘populisme’ als een scheldwoord. Populisme komt van ‘populus’ en dat betekent ‘volk’. Wat is er in een democratie fout met het volk? Ligt de blaam niet eerder bij wie neerkijkt op het volk? Dat is in een notendop de stelling die Jaak Peeters uitwerkt in een essay, dat eerder al op zijn eigen weblog verscheen en integraal overgenomen werd op het discussieforum van Dwarsliggers. Wij bieden onze lezers een licht vereenvoudigde versie aan, in afleveringen, met enkele (door de auteur goedgekeurde) verduidelijkingen omdat wij van oordeel zijn dat de tekst te belangrijk is om als het ware gevangen te blijven in een intellectueel debat.

JAAK PEETERS – Enkele maanden geleden was de vraag: 'Waarom wordt wie bedenkingen heeft bij CETA meteen uitgescholden voor populist of holbewoner?' Zoals bekend staat CETA voor het handelsakkoord tussen Canada en de EU. De inhoud ervan was slechts aan een beperkt aantal mensen bekend. In een veelgelezen krant als Het Laatste Nieuws viel nergens een duidelijke uitleg over de inhoud van dat CETA-verdrag te bespeuren. Het inschakelen van de zoekfunctie op Trouw leverde geen artikel op dat ons leert wat CETA precies omvatte. Het volk wist van niets, maar wie daar tegen was, zou een populist zijn.

Enigszins begrijpelijk dat ‘het’ volk van niets wist, want de tekst van het verdrag telt 1600 blz. en welke journalist werkt zich door zulke droge materie? Het leek dus om een achterkamerverdrag te gaan, waarvan de inhoud vermoedelijk pas beetje bij beetje tot de hersens en de portemonnee van de modale burger zou doordringen. Het Waalse Parlement had daar moeilijkheden mee en weigerde het verdrag met de ogen dicht te ratificeren. Of de Walen gelijk hadden of niet: grondwettelijk hebben de Belgische regio’s die bevoegdheid. Als Vlaams-nationalist erken ik dat. Sommige personen, zoals oud-EU-commissaris Karel De Gucht, en enkele meelopers uit de mediawereld, vonden dat de Belgische staat de institutionele structuur van het land aan zijn laars moest vegen en het verdrag goedkeuren. Democratie à la carte du chef Européen.

Met de tragedie in Griekenland in het achterhoofd legde zulks toch veel bloot over de geesteshouding van figuren zoals De Gucht, Timmermans, Dijsselbloem en anderen en tegelijk katapulteerde het ons te midden van een openbare polemiek die door het hoger genoemde soort personages en hun mediatieke aanhang als ‘populisme’ wordt aangeduid. Die polemiek is sindsdien niet meer stilgevallen en als een steekvlam weer opgeflitst bij elk optreden van Donald Trump.

Dat ‘populisme’ is kennelijk slecht. Het zou gekenmerkt zijn door onkunde, onwetendheid, simplisme, oppervlakkigheid en korte-termijn-denken, allemaal kenmerken die de heersende elite vreemd zouden zijn. Populisten zijn zowat als holbewoners: achterlijk en niet mee met de tijd. Maar wie toekijkt ziet dat ‘populisme’ veel meer is dan dat. Zoveel meer dat het naar mijn bescheiden maar besliste mening uit moet zijn met dat gescheld over populisme. Dat wil ik in deze bijdrage aangeven. Ik ga niet op alle aspecten in.

Filosofen over het populisme.

Aan het woord is de jonge Nederlandse auteur Rob Wijnberg, die in En mijn tafelheer is Plato een filosofische kijk op de actualiteit brengt (2010). De liberale denker Dirk Verhofstadt schreef in Liberales al eerder een lovende recensie over het boek. Ook hij ziet zichzelf immers niet als populist – zijn godloze hemel beware hem! En hij aarzelt niet om de filosofie nogal opvallend voor zijn eigen karretje te spannen.

Wat zegt Wijnberg?

Wijnberg brengt verslag over een PVV-stemmer en Wilders-adept die aan het journaal meedeelt dat “de mensen het zat zijn” en die vervolgens erover klaagt dat bestuurders elkaar baantjes toeschuiven en partijleiders voortdurend loze beloften doen. Wijnberg constateert dat het ‘populistisch verschijnsel’ zich in zowat heel West-Europa voordoet. In Oostenrijk heb je de Oostenrijkse volkspartij en de lijst Jörg Haider, in Denemarken heb je de Deense volkspartij en in Zwitserland de Zwitserse volkspartij. Ook het Vlaams Belang en het Franse Front National noemen zich volkspartijen.

De naamgeving is in ieder geval opvallend.

Al deze volkspartijen worden in analyses en commentaren steevast als ‘populistisch’ aangeduid, hoewel ze zichzelf nooit zo noemen.

De term populisme krijgt voornamelijk negatieve connotaties toegeschoven. Hij roept in eerste aanleg vooral associaties op met goedkope retoriek om het Volk (in het Latijn populus – het gepeupel) naar de mond te praten.

In zijn pamflet Waarom is de burger boos? (2010) omschrijft historicus Maarten van Rossem het populisme als “onkruid dat opschiet in de kloof tussen belofte en werkelijkheid van de democratie”. Van Rossem, zo schrijft Wijnberg, raakt een wezenlijk kenmerk van het populisme aan: de diepe teleurstelling in het bestaand politieke bestel.

Twee soorten populisme

Een preciezere formulering – zo schrijft Wijnberg voorts – treffen we aan in het boek Twenty-First Century Populism (2008) van de politicologen Daniele Albertazzi en Duncan McDonnel. Zij definiëren populisme als “een ideologie die een deugdzaam en homogeen volk plaatst tegenover een elite of een gevaarlijke ander, die ervan wordt beticht het soevereine volk zijn rechten, waarden, welzijn, identiteit en stem te willen ontzeggen.” De belangrijkste aanname erachter luidt dat de wil van het volk eenduidig, kenbaar en goed zou zijn en dat deze volledig wordt verwoord door een charismatische leider. Zodoende presenteert het populisme zich als een “zuivere vorm van democratie die erop gericht is de volkssoevereiniteit terug te winnen van een professionele politieke klasse”, aldus Albertazzi en McDonnel.

Volgens Pierre-André Tanguieff vallen er in het populisme twee hoofdstromingen te onderscheiden: aan de ene kant het zogeheten protesterende populisme, waarin het volk (‘de gewone man’) als slachtoffer van een bestuurlijke elite wordt voorgesteld. Dergelijk populisme gaat vaak gepaard met kritiek op formele instituties zoals parlement en rechterlijke macht, en beroept zich graag op vormen van directe democratie , zoals referenda en peilingen (het volk heeft gesproken). Dit is het populisme dat je aantreft in de fora van populaire kranten zoals Het Laatste Nieuws.

Aan de andere kant – schrijft Wijnberg - staat het identitaire of identiteitszoekende populisme, waarin het volk eerder wordt voorgesteld als het slachtoffer van een vijand van buiten – doorgaans in de gedaante van immigranten. Dit soort populisme kenmerkt zich vooral door nationalistische sentimenten en sterke nadruk op een homogene culturele identiteit met bijhorende tradities en gewoonten.

Een mengvorm van beide komt overigens het vaakst voor, constateert Tangieff.

Populisme staat volgens deze politieke denkers dus in een paradoxale verhouding tot de democratie. Enerzijds staat het vijandig tegen drie eigenschappen die door de dominante strekkingen als wezenlijk voor de moderne democratie worden beschouwd: gelijke individuele rechten, bescherming van culturele minderheden en politieke pluriformiteit. Anderzijds beschouwen ze de democratie als hoogste waarde en willen ze de politiek aan de rechtmatige eigenaar terug geven: de bevolking zelf.

Het verhaal van de antipopulisten.

De kritische lezer valt meteen over termen zoals politieke pluriformiteit. De antipopulisten doen alsof de populisten die niet accepteren. Was die dan zo algemeen voor de opkomst van het zogeheten populisme? Waar kwam dan de verzuiling vandaan, waarover iedereen vandaag juicht dat ze eindelijk overwonnen is? Of waarom ooit die heftige discussies tussen liberalen en socialisten of tussen vrijzinnigen en christendemocraten tijdens de beruchte strijd ‘om de ziel van het kind’? Ideologie blijkt ook in de zogezegd neutrale wetenschap niet afwezig: om hun punt te maken schetsen vele sociale wetenschappers een idyllisch democratisch verleden dat de populisten komen verstoren en maken ze zichzelf blind voor de verstarring die die idyllische verleden vaak kenmerkte.

Of de genoemde ‘populisten’ overigens allemaal even negatief staan tegenover de hoger genoemde drie eigenschappen van de democratie, is allerminst zeker. In een recente publicatie stelt de voormalige chef van de studiedienst van het Vlaams Belang – toch een ‘populistische’ partij?– ‘dat Vlaanderen de kans moet krijgen om de naoorlogse massale immigratie te verteren’ (Utsi, 2016). Nergens valt er nog iets te lezen over terugsturen. Ik hoor Geert Wilders ook niet tegen Surinamers fulmineren? Het valt dus al bij al nog wel mee met die zogezegde vijandigheid tegenover die zogenaamde hoofdkenmerken van de democratie…

Maar laten we dit even buiten beschouwing.

Volgens Wijnberg zeggen populistische leiders altijd te spreken namens het volk of de zwijgende meerderheid, maar vertegenwoordigen zij in werkelijkheid nooit meer dan een kleine minderheid van het electoraat. Dat electoraat vormt trouwens helemaal geen samenhangende groep met overeenkomende overtuigingen, argumenteert hij verder. Dat samenhangende volk bestaat dus niet. Je vraagt je af hoe hij de uitslag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen zou betitelen. De triomf misschien van het (in zijn ogen) domme samenhangende volk?

Van dezelfde natuur is de uitspraak van Evert van der Zweerde: ‘Ik vermijd het woord “volkssoevereiniteit” omdat(…) het de connotatie van het ene volk bevat’. (2011). De man doceert nota bene aan een katholieke universiteit. Je mag volgens hem niet uitgaan van de gedachte van ‘het ene, samenhangende volk’. Zoals eerder al het woord ‘allochtoon’ moest afgeschaft worden, nu ook het woord ‘volk’. Er bestaat niet langer zoiets als volk. Meteen is het populisme geen probleem meer, want er is geen populus meer. Ziehier het postmodernisme in zijn alles overtreffende sierlijkheid.

De oplossing: het volk afschaffen

Nationalisten daarentegen spreken steeds weer over een volksgemeenschap. Die is in hun ogen etnisch redelijk homogeen – maar kennelijk is dat ‘dus’ fout. Even fout is het aan te nemen dat die gemeenschap gekenmerkt wordt door een eigen identiteit, eigen waarden en een eigen, definiërende geschiedenis. Een voor postmodernisten onuitstaanbare gedachte. Gedaan dus met monumenten voor de Oud-strijders, gedaan met trots op eigen bier en chocolade, gedaan met lofzangen op Eddy Merckx of pater Damiaan, wij zijn Wereldburgers.

Datzelfde plebs, dat zich blijkbaar ten onrechte mis begrepen voelt want het bestaat eigenlijk niet, plaatst zichzelf tegenover een elite die het niet vertrouwt en verdenkt van het najagen van een vaak egoïstische agenda. Bestuurders hebben namelijk redenen om elkaar baantjes toe te schuiven. En ze besturen naar godsvrucht en vermogen. Zeker Karel De Gucht en Armand Dedecker. Dat weet toch iedereen? Dat is volgens postmodernisten echter te simplistisch.

Er bestaat wel degelijk een democratie orakelt die elite voorts, want mensen kunnen met grote regelmaat naar de stembus – kennelijk vergeten die dames en heren dat in de voormalige Sovjet-Unie mensen ook stemden voor een parlement, dat er weliswaar voorts niet toe deed. En dus is het onjuist om een overdadige macht of invloed toe te kennen aan een schimmige heersende klasse die over de hoofden van de mensen heen zou heersen. ‘De heersende klasse’ die ànders zou zijn bestaat bijgevolg niet. Met het volk is zijn elite afgeschaft.

Jaak Peeters, oud HR manager en medestichter van de N-VA, blogt op Doorstrominwaar hij dit artikel al gepubliceeerde

Lees verder: Het volk verstaat die arme elite niet (2)

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!

Wie dit essay in zijn oorspronkelijke vorm wil lezen, kan terecht op het discussieforum van Dwarsliggers