Waar het armoededebat echt op vast liep

Waar het armoededebat echt op vast liep

Het armoededebat kende haar beste dag niet met de kritiek van enkele wetenschappers (w.o. Ides Nicaise en Jan Vrancken) op staatssecretaris Zuhal Demir, enkele weken terug. Haar repliek was echter niet het grote probleem. De armoede heeft immers enkele andere oorzaken dan wat de experts beweren die Peter Raeymaeckers in De Standaard 19/10/2017 in verdediging nam. Net die genegeerde oorzaken verklaren grotendeels waarom mensen in armoede, ondanks hoge budgetten voor onze SZ en de OCMW’s, nog steeds even hard verder sukkelen.

Peter Raeymaeckers, docent Sociaal Werk (Uantwerpen) en onderzoeksleider aan OASeS’ (onderzoeksgroep rond ongelijkheid, armoede, sociale uitsluiting en de stad’) heeft meer dan gelijk om het debat te matigen. Het ‘ideeënconflict’ is voor hem een typisch wetenschappelijke werkwijze om de werkelijkheid beter te observeren. Hij benadrukt de nood aan betere dialoog tussen alle stakeholders. Hij nuanceert ook bepaalde absolute uitspraken over armoede: “Niet iedereen is het eens over hoe we armoede moeten definiëren, hoe we armoede moeten meten en bovenal, wat de oplossing is.”. De onderzoeksmethodes, de invalshoeken en de voorgestelde antwoorden lopen inderdaad sterk uiteen.

Foto: Armoede werd decennia geleden al gedefinieerd als eeht structureel tekort aan 'alles': werk, inkomen, gezondheid, weerbaarheid, ... De talrijke definities verschillen wel sterk. Arm is officieel (België/EU) al wie minder dan 60% van het mediaan-inkomen ter beschikking heeft. Als dan morgen de rijkste helft van de bevolking haar inkomen zou verdubbelen, dan vallen er plots véél meer mensen 'in de armoede', zonder dat hun behoeftigheid één jota verandert. Voor de VN is dat enkel het niet kunnen voorzien in de eerste levensbehoeften.

 

Velen kijken nog sterk naar de inkomens, en te weinig naar de reële noden, naar de tekorten in het kunnen betalen van de levensnoodzakelijke behoeften. En ook het actuele beleid – de vrucht van zeven decennia geleidelijke opbouw - houdt daar relatief weinig rekening mee. Maar een Leuvenaar met een leefloon kan daarvan geen sobere woning betalen. In veel landelijke gemeenten en bepaalde stedelijke wijken en in zowat alle Waalse steden en gemeenten lukt dat nog wel – min of meer. Maar het leefloon is overal gelijk en dikwijls te laag om minimaal levenswaardig van te leven. In dure gemeenten zoals Leuven moet het OCMW daarom significant meer extra steun aan huurders uitkeren dan elders.

Grafiek: Evolutie van de armoede in Nederland, gemeten naar verschillende definities

 

Raeymaeckers zaait zelf echter verwarring door te stellen dat “Politici verwijten onderzoekers dat ze onder één ideologisch hoedje spelen, maar dat klopt niet.”. De meningen onder de politici lopen immers sterk uiteen. Veel onderzoekers spelen anderzijds wel degelijk onder één hoedje met de linkse politici. Ze negeren beide namelijk enkele cruciale feiten in hun analyse – waarover verder meer.

En ‘de onderzoekers’, die vormen natuurlijk geen homogene, gelijkdenkende groep. Maar de meesten zitten wel min of meer op dezelfde golflengte als de linkse politici. Ze menen dat de kern van de oplossing zit in betere begeleiding en meer en hogere uitkeringen. Hun kritiek op Zuhal Demir was bijzonder hard. Men verweet haar dat ze het minimuminkomen, dat onder de armoedegrens ligt, niet tot die grens wou optrekken.

Die kritiek lijkt op het eerste zicht billijk voor wie wel om armoede geeft. Maar tegelijk is hij dogmatisch en onterecht omdat hij voorbij gaat aan de analyse en de strategie van deze regering en aan het feit dat 99% van de middelen die cruciaal zijn voor de armoedebestrijding, bij andere regeringsleden liggen. Dat is dus minstens deels onterecht.

Deze regering meent dat alleen maar betere begeleiding en méér en hogere uitkeringen – de klassiek-linkse recepten – lang niet zullen volstaan. Dat lijkt me een legitieme inschatting. Om dan te roepen dat deze (centrum-rechtse) staatssecretaris en regering slecht werk doen omdat ze die oude, 'linkse' recepten niet verder wil volgen, dat is absurd. Het is ook intellectueel oneerlijk, want de linkse analyse is selectief (ze negeert de specifieke problemen van de groeiende groep allochtonen en de sterke daling van de armoede bij autochtonen) en er zijn goede redenen om eerst naar structureel betere antwoorden te zoeken.

Demir en deze regering – uitgezonderd haar eigen, interne ACW-oppositie – zijn het ook oneens met de populaire mantra dat ‘de armoede toeneemt’. In de mainstream media mogen de overwegend linkse opiniemakers dat tot in den treure herhalen. De journalisten stellen daar zelden een kritische vraag bij. Maar de werkelijkheid is veel complexer: de armoede onder de autochtone bevolking neemt namelijk gestaag af!

We kennen de laatste jaren, en ook al de decennia daarvoor, wel een dermate grote toestroom van niet- en laaggeschoolde migranten dat die de groep in armoede sterk doet aanzwellen; daardoor neemt het totale aantal mensen in armoede (licht) toe. Veel migranten bleken namelijk geen duurzame eigen plek te kunnen vinden in onze moderne, hoogtechnologische samenleving. En doordat de algemene welvaart gemiddeld (licht) steeg, steeg ook de grens van de armoede mee.

De rel over hoeveel leefloners allochtoon zijn was tekenend. Veel linkse opiniemakers proberen het nog voor te stellen alsof dat slechts 30% zou zijn – nog niet zo slecht gezien de allochtonen zo’n 28% van de bevolking uitmaken. Maar als alle allochtonen van de eerste en de tweede generatie samentellen, dan nemen die 70% van alle leeflonen op. De 3de allochtone generatie, die is daar dan nog niet in meegerekend.

Allochtonen zijn dus relatief zes maal zoveel leefloontrekkers als autochtonen.

De stelling 'dat de armoede daalt voor de eigen bevolking, maar dat we – bij wijze van spreken – ‘veel armoede importeren'’ is dus cru, maar ze klopt in de feiten wel grotendeels. Maar dat willen veel klassiek-linkse critici en opiniemakers niet weten, net zomin als hun overdrijvingen over de werkelijke evolutie van de reële behoeftigheid. Deze feiten noodzaken echter een heel ander beleid.

Het sterkste armoedebeleid kent dus (minstens) drie cruciale onderdelen. Het blokkeert de toestroom van al wie hier geen voldoende kans op een redelijke toekomst heeft door zijn te zwakke vorming, door problematische attitudes of door een precaire of verkeerde motivatie (of het reduceert deze sterk); het verbetert de integratie van de allochtone groepen – wat een drastisch andere aanpak vereist; en tot slot zoekt het verder naar betere manieren om de autochtone armoede verder te beperken. Waarbij veel maatregelen waarschijnlijk alle behoeftigen dienen. Maar autochtonen oefenen geen dominante invloed op de totale armoedecijfers uit. Er zijn gewoon teveel allochtone armen, in verhouding tot het totale autochtone aandeel in de armoede.

Deze regering, en zeker deze staatssecretaris, is het ook oneens met de idee dat uitkeringen belangrijker zijn dan verhelpen aan de diepe wortels van behoeftigheid, het niet voldoende voor zichzelf kunnen zorgen. Ze willen begrijpen waarom sommigen in armoede terecht komen, en niet alleen hoe en hoeveel uitkeringen men dan moet aanvoeren om die schijnbare armoede weg te vegen. Vandaar de nadruk op meer werk. Hoe onvoldragen het beleid daarrond ook, het is onmisbaar. Want zonder meer werk, steeds met een billijke vergoeding én zonder dat dat eeuwige subsidies nodig heeft, komen we er nooit.

Het verzet van Demir tegen die klassieke recepten lijkt me om deze redenen terecht. Als we haar wat kunnen verwijten, dan is het enkel dat ze de gevaarlijk onvolledige en finaal foute analyse van links niet volledig van tafel veegt. Ze probeert nog wat bruggen open te houden. Best diplomatiek, maar daardoor riskeert ze aantasting van haar eigen beleid door die klassiek-linkse fouten. Want met een foute diagnose, zal de patiënt nooit duurzaam kunnen genezen.

Om Peter Raeymaeckers te parafraseren, het beleid moet zich inderdaad openstellen voor de expertise van alle belanghebbenden, ook de armen en behoeftigen zelf, én zeker voor de inzichten vanuit wetenschappelijk onderzoek, maar het moet zich hoeden voor al wie cruciale feiten negeert, of ontkent. Hoe mooi ook hun academische gewaden, dat zijn geen wetenschappers, maar dwalers en dogmatici.

De verantwoordelijkheid voor ‘het misbaksel dat we vorige week hebben doorgemaakt’ is ongetwijfeld te wijten aan het rode dogmatisme van een groot deel van het academische korps dat het onderzoek rond armoede tot nog toe monopoliseerde. Onze universiteiten kunnen misschien eens onderzoeken waarom zo’n negatie van cruciale feiten zo lang kon woekeren in hun schoot – instellingen die nota bene beweren dat ze aan wetenschappelijk onderzoek doen én daar niet weinig geld voor krijgen. En onze overheden verschuiven hun onderzoeksbudgetten misschien best naar die onderzoekers die de wetenschappelijke methode wel radicaal voorrang geven – een kleine groep – en die dogmatische praatjes en recepten mijden als de pest. Onderzoekers zoals een Stijn Baert en Ive Marx geven duidelijk aan dat het ook best wetenschappelijk kan.

Andrea Cuypers, ecologiste en humaniste met interesse in sociale thema's

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!