Verlicht denken mocht van de ulama niet (3)

Verlicht denken mocht van de ulama niet (3)

Imam Tijani Boulaouali van het Platform Vlaamse Imams en Moslimtheologen publiceerde in Knack.be (23/09/16) een repliek op een eerder opiniestuk van Louis Ide van N-VA over de Koran Knack.be (01/09, 07/09//16). Hij pakt graag uit met verlichte denkers in de islam die als inspiratie golden voor de westerse Verlichting. Hij vergeet dat die denkers in de islamitische wereld vervolgd werden. Ik reageer op zijn redeneringen met een korte reeks, waarvan al twee delen zijn verschenen: “Zij” creëren helaas een”wij-zij”-debat (1); en “Wie niet gelooft moet leren zwijgen’ (2).

Boulaouali’s stuk wemelt van de moeilijke begrippen en verwijzingen, die alleszins aantonen dat zijn auteur een erudiet man is. Het gegoochel met concepten maakt de lectuur evenwel niet gemakkelijk en bevordert daardoor de dialoog niet. Het is niet mijn bedoeling Louis Ide te verdedigen, wat hij schrijft gaat mij eigenlijk niet aan. Het is wel interessant enkele van de drogredenen van Boulaouali te doorprikken, waarbij ik ze niet eens allemaal kan aanpakken want dan wordt dit geen artikel maar een boek. Wat telt is aan te tonen dat hij een merkwaardig rookgordijn construeert, precies wat hij Ide verwijt.

Boulaouali: “Academische benaderingen maken duidelijk dat de Europese Renaissance en Verlichting hun historische wortels vinden in islamitisch denken, de islamitische filosofie en civilisatie. Zonder de invloed van moslimgeleerden en filosofen zoals Averroes (vertaler en ontwikkelaar van de Griekse filosofie), Avicenna (schrijver van de Canon van de Geneeskunde), Ibn khaldoun (grondlegger van de sociologie), Al-Khwarizmi (uitvinder van Algoritme), Al-Ghazzali (bedenker van de methodische twijfel vijf eeuwen voor René Descartes!) en anderen, zou er geen sprake zijn van de Europese Renaissance of zou de Verlichting een achterstand van eeuwen hebben opgelopen, zoals veel onderzoekers veronderstellen.”

Al-Ghazzali blokkeerde het denken

Het loont om al deze denkers even te overlopen. Averroes of Ibn Rushd (1126-1198) was een qadi of rechter in het emiraat van Cordoba onder de Almohaden, die definitief komaf wilden maken met het libertijnse gedachtengoed dat de Ummayaden in Spanje hadden laten bestaan. Hij ontwikkelde niet zomaar de Griekse filosofie, maar die van Aristoteles. Die staat haaks op het mystieke denken dat de door Boulaouali bejubelde Al-Ghazzali (1058-1111) had ontvouwd, in de lijn van Plato (zonder dit expliciet toe te geven). Plato was een aristocraat en hij ontwikkelde zijn denken vanuit de hemel. Aristoteles was zijn leerling en grote criticaster. Hem kon je, in onze termen, een middenstander noemen en hij stond met zijn voeten op de grond. Zijn denken was empirisch en vertrok vanuit de waarneming, het gezond verstand. (Het moderne denken zet een stap verder en trekt, vanuit de ambachtelijkheid, die directe waarneming open via het experiment, via het vallen en opstaan).

Ghazzali zegde van zichzelf dat hij alle bestaande wetenschap had bestudeerd en daardoor tot de conclusie was gekomen dat alle wetenschap overbodig was, vermits alles toch afhing van de wil van God. Beroemd is de uitspraak die hij overnam van al-Ash’ari (ca 860-936) dat katoen niet ontbrandt omdat het in contact treedt met vuur, maar dat Allah het katoen doet ontbranden telkens als het in contact komt met vuur. Ghazzali besloot daaruit, in een boek dat hij ‘De verwarring van de filosofen’ noemde (Tahafut al falasifa), dat wetenschappelijk studeren waardeloos is en dat slechts het mediteren van de Koran belangrijk is. Daarom verklaarde hij rationeel onderzoek van de Koran ook verboden (hij mediteerde daarom niet over, maar vanuit de Koran). Hij sloot de ijtihad of interpretatie, en is daardoor de hoofdverantwoordelijke voor de stagnatie van het Arabische denken vanaf circa 1200.

Het is dus nogal vreemd dat  Boulaouali uitgerekend hem tot voorloper van de Europese Verlichting benoemt. Ghazzali is eerder degene die in de islam elke doorbraak naar het moderne denken heeft geblokkeerd. De systematische twijfel die hij bedacht was twijfel of de mens wel tot kennis kon komen, omdat hij volkomen afhankelijk is van de goddelijke openbaring. Dat staat haaks op de systematische twijfel van René Descartes vijf eeuwen later, die onderzocht op welke basis de mens tot kennis kon komen, zonder te vertrekken van een openbaring. Descartes bevrijdde het denken van de openbaring, mag je zeggen, Ghazzali sloot het daarin op. Hij was dus gewoon een tegenstander van elke Verlichting.

Dat had ook Averroës al beseft, een halve eeuw na Ghazzali, en hij schreef zijn ‘De verwarring van de verwarring’ om hem te weerleggen (Tahafut at-Tahafut). Zijn lot daarbij was merkwaardig: nadat hij tegen Ghazzali betoogd had dat de studie van wetenschap wel degelijk toegelaten was, viel hij in ongenade bij de kalief Yaqub al-Mansur (1160-1199). Hij werd verbannen, zijn werk werd verboden en, wat het belangrijkst is, het ging verloren in de islamitische wereld. Het was gelukkig bijtijds opgepikt door christelijke vertalers, die het naar de kathedraalschool van Parijs brachten waar op dat moment een hevige strijd bezig was tussen de voorstanders van Aristoteles (in de lijn van de filosoof Petrus Abelardus, 1079-1142); en diens tegenstanders (in de lijn van de mystieke monnik Bernardus van Clairvaux, 1090-1153).

‘Name dropping’ als dooddoener

Het is overigens fout al-Ghazzali te vergelijken met Thomas van Aquino (1225-1274), zoals onder andere de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum doet. Als Ghazzali met één christelijke denker kan vergeleken worden, dan met de geciteerde Bernardus, die zich als een duivel in een wijwatervat weerde om de rationaliteit weg te houden uit het christelijke denken, waarin deze onstuitbaar aan het opkomen was. Thomas van zijn kant daarentegen stimuleerde die rationaliteit door te stellen dat deze van God kwam en Hij in zijn oneindige liefde voor de mens zijn schepsel niet in verwarring zou brengen door irrationeel op te treden. Dat was in de islam geen verworvenheid, zoals paus Ratzinger terecht betoogde in zijn zo vaak verguisde Regensburg-toespraak. Na de slag bij Badr bleek Allah zelfs zijn gelovigen een misleidend visioen te hebben gezonden omtrent de getalsterkte van de Mekkanen, omdat ze anders niet fanatiek genoeg zouden gevochten hebben, of op de loop zouden zijn gegaan (Sūrah 8:43-44).

Averroës bracht nieuwe gezichtspunten aan het logische denken aan, die de aristoteleanen in de christenheid de wind in de zeilen gaven. Ze leidden tot het ‘scheermes’ van William Ockham (1287-1347). Die legde de basis van het moderne denken, door te stellen dat hoe eenvoudiger een theorie is die zoveel mogelijk feiten verklaart, hoe meer kans op waarheid zij bevat. Descartes bouwde daarop voort door een eenvoudig uitgangspunt voor elk denken te kiezen, “ik denk, dus ik ben”.

Het is dus precies omgekeerd gegaan als Boulaouali beweert. Wat merkwaardig mag heten, vermits hij toch de dialoog beweert te zoeken. Een dialoog kan maar slagen als hij gebaseerd is op correcte feiten. Wat Boulaouali hier doet is name dropping: hoe meer grote namen hij gebruikt, hoe sterker hij zichzelf er van kan doordringen dat kritisch verder denken niet nodig is, omdat hij toch zo slim is; en hoe minder mensen aan het subjectieve standpunt dat zo tot stand komt zullen twijfelen. Daarbij rekent hij er waarschijnlijk op dat weinig mensen die namen kennen of onderzoeken; en dat nogal wat dhimmitudische islamologen ze zelfs niet durven ter sprake brengen. Dat geldt ook  voor drie andere grote denkers die hij vermeldt.

Al-Arab was eigenlijk al-Kharab

Wat Avicenna of Ibn Sina (980-1037) betreft: hij was inderdaad een reus in het verzamelen van de Griekse en Perzische medische traditie (de Canun), maar zijn werk is in de Arabische wereld na hem doodgelopen in de algehele stagnatie. Het werd slechts opgepikt (en bewaard) aan de christelijke school van Salerno bij Napels. Idem dito voor Al-Khwarizmi (ca 780-845). Hij bouwde voort op de Egyptische en Griekse wiskunde (die terugging op Euclides en Ptolemaos) en verrijkte haar met de Indische cijfers (die ten onrechte Arabische cijfers worden genoemd). Hij werkte aan het Bayth al-Hikhma of Huis van de Waarheid in Bagdad; Dat was in feite een vertaalinstituut want de kaliefen stonden erop dat de Perzische en Griekse denkers in hun dienst in het Arabisch schreven, zodat zij hen konden controleren. Ook zijn werk is doodgelopen in de Arabische wereld, mede door het verbod op ijtihad van Ghazalli en Ibn Tamiyya (1263-1328), een tijdgenoot van William Ockham die precies de omgekeerde richting insloeg. Het droeg slechts vrucht in het christelijke Europa, waar vooral de algebra tot superieure rekenkunde werd ontwikkeld dankzij Khwarizmi’s geniale uitvinding van het begrip ‘nul’. Khwarizmi lag dus inderdaad aan de basis van de wiskunde die zo belangrijk zou worden in het moderne ingenieursdenken. Niet in de islam maar in de West-Europese christenheid. En niet op basis van een Arabische, maar van een Grieks-Indische traditie. 

Tenslotte Ibn Khaldoun (1332-1406). Hij was een Tunesische Berber en stond in de boerentraditie van zijn door de Arabieren overweldigd volk, dat eeuwenlang van zijn gebied een graanschuur en vruchtentuin had gemaakt. Hij probeerde inderdaad als eerste de historische gebeurtenissen vanuit een sociale context te duiden. Centraal was zijn concept van asabiyya of tribale solidariteit, waarmee hij verklaarde waarom sommige hoog ontwikkelde beschavingen decadent werden en de duimen moesten leggen voor nomadische invallers. Daarbij was hij bijzonder hard voor de bedoeïenen. Hij stelde in Muqammida, zijn hoofdwerk, al-Arab – wat 'woestijnbewoner' wil zeggen – gelijk aan al-kharab of 'verwoester' (in het Engels vertaald door F. Rosenthal, 1958, I, p. 302. In het Frans vertaald door V. Monteil, 1967-1968, I, p. 295).

Khaldoun reageerde daarmee op een Arabische stam die er niet beter op had gevonden dan de vruchtenbomen om te kappen om meer grasland te hebben voor hun dieren. Met woestijnvorming als gevolg. Voegen we daarbij dat Ibn Khaldoun vooral inspirerend heeft gewerkt ten noorden van de Middellandse Zee, maar niet ten zuiden, dan blijft het ook hier onduidelijk waarom Boulaouali hem wil aanhouden als islamitische voorloper van de Europese Verlichting.

De boom herken je aan zijn vruchten

Een constante valt tenslotte op maar is bij mijn weten nergens systematisch bestudeerd: nagenoeg alle grote Arabische denkers behoorden tot de eerste generaties van christenen, zoroastreanen of joden die zich tot de islam hadden bekeerd (of deden alsof). Wat vanaf de negende eeuw nagenoeg onvermijdelijk was als men zich in de omgeving van de kaliefen wilde handhaven. Men kan zich dus terecht afvragen of het niet juist hun niet-islamitische achtergrond was die hen stimuleerde. Het alternatief dat men ons tot nu toe heeft aangepraat is dat de Arabische woestijnrovers in Syrië, Egypte, Mesopotamië en Perzië arriveerden met de hartstochtelijke verzuchting om Plato en Aristoteles in hun eigen taal te lezen. Wat natuurlijk belachelijk is.

Mijn vermoeden is dan ook sterk dat gedurende ongeveer twee eeuwen de Laathellenistische beschaving gebloeid heeft, niet dankzij maar ondanks de islam, zij het in het Arabisch. Vooral de bijdrage van de christelijke nestorianen en de uit hen voortgekomen islamitische muta’ziliten is daarbij opmerkelijk geweest. Maar uitgerekend die laatsten werden murtadd of afvallig verklaard omdat zij de euvele moed hadden te verdedigen dat de Koran niet het laatste woord was, maar dat het menselijke denken zich dankzij God voortdurend verder kon ontwikkelen. Precies wat Thomas van Aquino in het christendom zou verdedigen. Met vrucht. Het Arabische denken droeg echter, na de uitschakeling van de muta’ziliten door Ibn Hanbal, al-Ahs’ari en al-Ghazzali, geen vrucht meer. Dat is de trieste waarheid die Tijani Boulaouali met veel geleerde woorden probeert te ontkennen.

Hij probeert te ontkennen dat, zodra de grote denkers hun eigen traditie moesten loslaten en helemaal gevangen werden binnen het islamitische denken, de Arabische filosofie en wetenschap een schrale woestijn werden. Terwijl de pre-islamitische verworvenheden van het Oosten slechts in de West-Europese christenheid verder bloeiden en tot de Verlichting leidden. Nu, Boulaouali is niet de enige die deze mystificatie verkondigt. Deze reeks wordt afgesloten met een laatste stuk waarin ik de redenering zal onderuit halen van één van de westerse denkers die helpen om een rookgordijn op te trekken, de oecumenische theoloog Hans Küng, in Mohammed aanvaardde de Gouden Regel niet. Eerder haalde ik al de redenering onderuit van deze dhimmitudische benadering bij een andere populaire auteur, Karen Armstrong, in De ongekroonde koningin van de islamofilie.

Eddy Daniels

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!