Raakt Wallonië er echt bovenop?

Raakt Wallonië er echt bovenop?

In De Standaard van 24 februari 2016 schreef journalist Peter De Lobel een lovend artikel over Wallonië, bij een interview met Jean-Claude Marcourt van de PS. Met alle respect voor Marcourt, een van de betere Waalse politici, maar daar zijn toch wel wat kanttekeningen bij te plaatsen.

De Lobel speelt de loftrompet : Wallonië kan al een tijdje mooie economische cijfers voorleggen: tussen 2000 en 2015 lag de gemiddelde groei op 1,2%. Dat is echter minder dan België (1,3%) en Vlaanderen (1,4%). Er is een andere kijk mogelijk op dergelijke groei : Ewald Pironet in Knack noemt de verwachte groei voor 2016 van 1,2% erg mager en Eric Van Rompuy noemt in Knack eveneens de groei in België bijzonder klein.

Dat heeft ongetwijfeld te maken met een algemeen gedeeld uitgangspunt bij economisten dat een duurzame groei van ca 2 % of méér nodig is om de werkloosheid te doen dalen. En dat die werkloosheid hoog blijft, is bijzonder jammer, want lagere werkloosheid is essentieel voor het beter functioneren van de maatschappij.

Over die appreciatie van zgn. 'mooie' economische cijfers zegt Ruben Mooijman, chef economie van De Standaard : “ikzelf zou het woord niet gebruikt hebben, maar alles hangt af van het perspectief. Als je ervan uitgaat dat Wallonië een probleemgeval is, kan de vaststelling dat de regio bijna even snel groeit als België een positieve bijklank hebben.”

Naast de beoordeling van de groei worden in het artikel van Peter De Lobel ook de transfers aangesneden van Vlaanderen naar Wallonië.

Hij vertrekt van het transferbedrag van 4,6 miljard euro. Zowat het laagste cijfer dat ik daarover heb gezien. Cijfers van 6 tot 12 miljard euro zijn couranter – veel hangt af van wat men meetelt of niet. Volgens Peter De Lobel is het zinloos dat Minister-president Bourgeois daarover een studie bestelde, want de cijfers zijn gekend. Hij rekent wel voor wat dat betekent per inwoner : elke Vlaming transfereert ca 800 euro per jaar naar Wallonië en elke Waal ontvangt ca 1200 euro. Door de transfers stijgt de Waalse koopkracht en dat komt Vlaanderen dan ook weer ten goede schrijft De Lobel.

Hij stelt echter geen vragen over de impact van die transfers op de groei van Wallonië Die transfers vormen – zelfs met zijn ongewoon lage cijfer – ongeveer 5% van het Waalse regionaal product (ca 90 miljard euro). Een groei van 1,2 % is, gezien die jaarlijkse injectie van zo'n massieve omvang, vergeleken met het Waalse regionaal product maar een bijzonder schamel resultaat. En dat is decennia lang zo: er wordt continu massief kapitaal geïnjecteerd in de Waalse economie, maar die weet daar geen enkele aantoonbare groeiversnelling uit te realiseren. Journalist Peter De Lobel reageerde niet op mijn herhaalde vraag rond het ontbreken van enig aantoonbaar resultaat.

Die redenering legde ik ook voor aan de economieredactie van De Standaard, die ze niet tegensprak : “ook hier ligt het er maar aan hoe je het bekijkt. Uw stelling (dat Wallonië zonder transfers een lagere groei heeft, en Vlaanderen een hogere) is wellicht juist. Maar wie ervan uitgaat dat België een vaststaand gegeven is, is die vraag even relevant als de vraag of Limburg zonder transfers vanuit Antwerpen even snel gegroeid zou zijn.”.

Dit argument wordt wel meer naar voor geschoven. Het wordt echter nooit cijfermatig, noch kwalitatief onderbouwd. De hoofdoorzaak en het grootste kanaal voor de transfers is de sociale zekerheid. Daarin weegt de uitbetaling van werkloosheidsvergoedingen stevig door. Nu is de werkloosheid per provincie hier een interessant gegeven: Limburg, met de hoogste werkloosheid van alle Vlaamse provincies, heeft volgens de Nationale Bank in 2013 een werkloosheidgraad van 5,4%. Daarmee scoort het beter dan de beste Waalse provincie (Waals-Brabant met 7,1%). De nabij gelegen provincie Luik heeft een werkloosheidsgraad van 11%, het dubbele van Limburg.

Mooijman vindt het logisch dat er binnen één staat geldstromen plaatsvinden van het economisch centrum naar de periferie, en stelt dat dit geldt voor elk land ter wereld. De vraag is natuurlijk of dat onveranderlijk is en of de mate waarin en de tijdsduur ervan zomaar aanvaardbaar zijn. De transfers van Vlaanderen per inwoner naar Wallonië zijn vier maal hoger dan wat Beieren (de Duitse deelstaat die het meest transfers naar andere deelstaten levert) doet per inwoner.

Daarenboven moet mijns inziens ook rekening worden gehouden met wat Vlaanderen zelf zou kunnen doen als die transfers er niet waren of wanneer ze lager zouden liggen. Met één jaar transfers kan de Oosterweelverbinding ruim betaald worden. Vlaanderen heeft ook een sterke nood aan meer sociale woningen, betere scholen en meer verzorging voor ouderlingen en gehandicapten. Allemaal noodzakelijke investeringen, die de economie daarenboven een boost zouden geven.

Boven het artikel van Peter De Lobel staat als titel : 'Wallonië is de economische long van Vlaanderen'. De cijfers die hij geeft suggereren echter eerder een ‘stoflong’.

Op mijn expliciete vraag om de andere kant van de analyse als info aan de lezers van De Standaard mee te geven, kwam een negatieve reactie van de economieredactie én de politieke redactie. "Zolang België één land is, zal er immers geen sprake zijn van het schrappen van transfers.’" Waarmee kritische vragen over de doelmatigheid van deze transfers, of de sociale (on)zin ervan, dogmatisch genegeerd worden. 

Daarmee weet U waar De Standaard voor staat.

Volgt U mijn analyse? Vindt U dat De Standaard meer info zou moeten geven over die groei en de transfers? Dan vernam ik dat graag.

Luc De Vriese