Montasser AlDe’emeh doorbreekt de omerta

Montasser AlDe’emeh doorbreekt de omerta

Ik had het eerder al over Montasser AlDe’emeh. Een tijdlang alomtegenwoordig in de media, nu in een windstilte terecht gekomen. Die windstilte is begrijpelijk: hij werd in eerste aanleg veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, omdat hij een IS-militant een soort zelf gefabriceerd bewijs van goede zeden zou hebben uitgereikt (een attest zonder enige officiële waarde, dat hij bij hem een deradicaliseringstraject had doorlopen, wat niet het geval was). Het verweer van AlDe’emeh was zwak en mijns inziens eigenlijk ook dom: hij had gehandeld in opdracht van of samenspraak met de Staatsveiligheid beweerde hij. Na die verklaring moest hij onderduiken, want hij had zichzelf het etiket ‘verklikker’ op het hoofd geplakt. Terwijl het niet eens helemaal waar was.

Wie het interviewboek De weg naar radicale verzoening leest dat Jan Lippens met hem samenstelde, leert daaruit dat hij weliswaar in contact is geweest met de Staatsveiligheid, maar nooit echt in hun dienst heeft gestaan en zeker in dit specifiek geval van hen zeker geen opdracht had gekregen. Hij had het valse attest afgeleverd omdat hij zijn banden met de salafisten wilde behouden, maar had dat wel erg onhandig gedaan. Zijn ideologische tegenstrevers profiteren daar natuurlijk van. In De Afspraak (Canvas) kwam Fikry al-Azzouzi, die (mogelijk onbewust) een propagandist is van IS, hautain verklaren dat AlDe’emeh passé is, een aandachtzoeker die we mogen vergeten.

Een impulsieve maar eerlijke persoon

Nu kan het best zijn dat Montasser AlDe’emeh een aandachtzoeker is, wie is dat trouwens niet? Als ik geen aandacht zocht, dan schreef ik dit stuk niet. Als Azzouzi geen aandacht zocht dan schreef hij niet het libretto voor een totaalspektakel waarin IS/Daesh in de traditie wordt geplaatst van de grote vrijheidsstrijders als Nelson Mandela, Patrick Lumumba en Malcolm X. Waar het aandacht zoeken van Azzouzi zeer doordacht maar hoogst ongezond tot verderfelijk is, daar is dat van AlDe’emeh erg onhandig en impulsief, maar eerlijk en onthullend. Dat blijkt vooral als we het geciteerde interviewboek lezen, De weg naar radicale verzoening. Een bespreking.

Waar Azzouzi pleit voor haat en het ontkennen van de verantwoordelijkheid van de eigen groep, pleit AlDe’emeh voor sociale introspectie en schuldgevoelens als eerste stap om elkaar de hand te reiken. Daartoe brengt hij genadeloos een aantal verborgen aspecten naar boven van de Arabische gemeenschap, waar hij zelf toe behoort. Aspecten die in die gemeenschap algemeen bekend zijn, maar zelden het niveau van een klacht bij Unia bereiken (waar de minste gore oprisping van een groepje marginalen opgeklopt wordt tot een staatszaak). En wel door de omerta in die gemeenschap. Unia heeft nochtans genoeg medewerkers van Arabische afkomst, maar ook zij houden blijkbaar de kiezen zorgvuldig op elkaar als het gaat om het wijdverbreide racisme in de vooral Maghrebijnse groepen. AlDe’emeh doorbreekt die plicht tot zwijgen, en ik vermoed dat daarom mensen als Azzouzi hem proberen weg te zetten. Wat vertelt hij nu concreet?

Hij begint, net als in zijn vorig boek De Jihadkaravaan. Reis naar de wortels van de haat (opgetekend door Pieter Stockmans), met de eigen ervaring. Zijn ouders kwamen als Palestijnse vluchtelingen in België terecht met hun hart vol bitterheid, maar ze leerden hun kinderen zich nederig en dankbaar op te stellen, en maakten van hun leven ondanks veel tegenslagen een succes (zij namen met veel moeite hun vroeger beroep van beenhouwers weer op). Veel Marokkanen die hier beland zijn, voeden hun kinderen in een heel andere mentaliteit op, zegt hij. Zelf radicaliseerde hij ook als jongeman, maar later ging hij nuanceren en beseffen dat dit niet de juiste weg was. Hij beschreef dat proces in het eerste boek. Veel Marokkaanse jongeren rijden zich daarentegen vast in simplistische redeneringen en worden gefrustreerde pubers die altijd verder gaan in de radicalisering. ‘Ze voelen en gedragen zich meer en meer superieur (…) Iedereen is minderwaardig’ (p. 25-26).

De plicht tot nadenken ontkennen

Ze rijden zich vast in een gespleten persoonlijkheid, willen enerzijds alles wat het Westen te bieden heeft, ‘ze kicken op smartphones, juwelen, merkkleding, auto’s, ze hebben het over Vlaamse meisjes versieren’ (p. 35). Ze hebben stiekem seks met autochtone meisjes, maar eisen dat hun zussen in huis blijven (p. 79). Hun redenering: ‘Die brave Belgen doen toch niets terug’. Ze vinden autochtone Belgen slappelingen, want ze verdedigen zelfs hun eigen vrouwen niet (p. 109). Ze wijzen anderzijds het Westen af, weigeren vaak nog na te denken en vertrouwen zich toe aan de adviezen van predikanten die zelfs de meest elementaire vorming missen. Vele imams zijn bang van de samenleving, zouden niet eens slagen voor de examens middelbare school, maar zij leggen de jongeren wel uit hoe het moet (p. 59). De minste trigger volstaat dan om tot extreme conclusies te komen. De voorsprong van de jihadi’s is dat ze de gespleten persoonlijkheid hebben afgeworpen en structuur brengen in het gespleten hoofd door het te ontheffen van de plicht na te denken (p. 66).

Hij vertelt over Molenbekenaren die maar één keer per jaar buiten hun gemeente komen, als ze voor de vakantie naar Marokko gaan. Hun leven speelt zich af tussen thuis, de moskee, het theehuis. In het vliegtuig worden ze verwelkomd door geschminkte stewardessen met korte rokjes, tijdens de reis wordt alcohol geschonken. ‘Die reis is een marteling voor hen’ (p. 33). Sommige kinderen komen zonder brooddoosje naar school. Niet steeds uit armoede, ‘maar omdat er geen aandacht voor hen is’ (p. 36). Zoontjes worden verwend, maar ze moeten wel een kamer delen met vier-vijf broers. Dus groeien ze op straat op. Als ze thuis komen, staat Al Jazeera op.

Op vrijdag en zaterdag moeten ze naar de Koranschool. In de gewone school heeft men geen flauw benul wat daar verteld wordt. Daardoor staan er kereltjes op die de groep aanvoeren en het woord voeren tegen de leerkracht, die geen repliek heeft. Blokfluit spelen wordt veroordeeld, ook lessen turnen en zwemmen (p. 63). Zo sluipen er allerlei regeltjes van de islam het schoolregime binnen. De scholen islamiseren geruisloos, er ontstaan homogene moslimklassen (p. 47). In theehuizen wordt Hitler onverbloemd verheerlijkt (p. 37). Wat niet hoeft te verwonderen, die klaagde immers dat zijn volk met de verkeerde godsdienst zat opgezadeld, de islam noemde hij een Männerreligion (p. 137). Nogal wat moeders zijn trots als hun zoon in Syrië gaat vechten. Als ze zich opblazen dan is dat de schuld van de samenleving. De meisjes leven in een spirituele gevangenis en moedigen hun broers aan. Zelf popelen ze om te vertrekken, om een nikab te mogen dragen (p. 38-40), kinderen te mogen baren voor jihadstrijders (p. 76, p. 134).

De botsing van beschavingen erkennen

AlDe’emeh wijst op de verpletterende verantwoordelijkheid van linkse en extreemlinkse kringen die geen stelling durven nemen tegen misstanden in de moslimgemeenschap (p. 40). ‘We moeten die botsing van beschavingen erkennen, want we hebben ze veel te lang bijna krampachtig ontkend’ (p. 55). De verzoening wordt belemmerd door het onderschoffelen van de problemen. Daardoor werken die ‘linksen’ mee aan het dom houden van de moslims, wat al eeuwen aan de gang is. Hij wijst erop dat Israël meer geld spendeert aan wetenschappelijk onderzoek dan alle Arabische landen samen. Maar jonge moslims krijgen wel een gunstige beurs om in Saudi-Arabië onzin te studeren. Ze worden er verder in een slachtofferrol geduwd: ze kunnen hun geloof niet beleven in Europa (p. 48-49).

Niet de Koran is volgens AlDe’meh het probleem, maar de interpretatie. Net als zovele ‘Europees gezinde’ imams maakt hij dat evenwel niet hard. Op dit punt spreekt hij zichzelf trouwens tegen, hij wijst op de geschiedenis. ‘Hoe denk je dat de vroegere kaliefen de halve wereld hebben veroverd? Met een boodschap van liefde en vrede? Nee, met het zwaard en heel veel bloedvergieten’. Als hij met imams spreekt, stokt het gesprek zodra hij maar de minste kritiek geeft (p. 52). ‘Die superioriteit leidde tot arrogantie en vanaf de twaalfde eeuw tot vandaag hebben we alleen maar neergang gezien’ (p. 126).

Hij wijst erop dat de boeken van Averroes – die vandaag door hautaine imams als voorbeeld gebruikt wordt van de ‘verlichte islam’ – in de islam verboden en verbrand werden (p. 54). Hij klaagt ook aan dat er na de aanslagen wel geroepen werd dat de moslims het geweld veroordelen, maar dat er geen gezamenlijke verklaring van de erkende moskeeën in die zin is geweest (p. 60). ‘Omdat de gewapende jihad integraal deel uitmaakt van de islam. Niet één moslim zal dat concept afzweren want (…) het staat in de Koran’ (p. 137). Hij geeft daarom toe: ‘Vergeet die rationele islam dus maar’ (p. 81). En: ‘Ik geloof niet meer in een Europese islam, wel in Europese moslims die hun godsdienst kritischer benaderen’ (p. 85)

De tragische erfenis van Abu Jahjah

Montasser AlDe’emeh wijst ook op de verpletterende verantwoordelijkheid van Dyab Abu Jahjah. Wat heeft die immers bereikt? ‘Onrust, angst en polarisatie’ (p. 67). Hij sprak over rechten, niet over plichten. Niet dat hij zijn mening luid verkondigde, was fout; wel dat hij dit eenzijdig deed. Hij keerde zich niet tegen de kleine criminaliteit, tegen het feit dat Marokkaanse families hun kleine kinderen tot een stuk in de nacht op straat laten rondhangen (p. 68). Toen hij voldoende onrust had gestookt, vertrok hij ineens naar Libanon, hij liet zijn Arabisch-Europese Liga in de steek en de achterblijvers liepen rond als kippen zonder kop. Een lid van die AEL was Fouad Belkacem en hij sprong met Sharia4Belgium in de opening.

‘Dat is de echte erfenis van de AEL en haar leider. Ik heb nooit begrepen dat Abu Jahjah in bepaalde linkse kringen omarmd werd als een soort vrijheidsstrijder’ (p. 69). Misschien een suggestie? Zijn kracht bestaat er misschien in dat ook linkse kringen rondlopen met een gespleten persoonlijkheid: enerzijds haten zij alles wat zij als achterlijk aanzien in hun eigen samenleving, en daarbij kan het niet ver genoeg gaan (tot en met geslachtsverandering zonder geslachtsverandering); anderzijds hebben zij de meest achterlijke bevolkingsgroepen nodig om die haat te bevredigen.

Dat is waarschijnlijk ook de ware reden waarom de PVDA – maar dat zijn ze bijna vergeten – haar partijkas via RESIST heeft laten plunderen door de gladde Abu Jahjah: hij hief voor hen de noodzaak op om na te denken waarom zij na dertig jaar deelname aan verkiezingen nog niet het minste zicht hadden op een parlementair mandaat, en zij dachten dat zij via hem dat konden bereiken (hij zou voor hen gaan zetelen; ze verloren echter een dik kwart van hun zo al schamele stemmen en hij bracht er geen aan). Een dhimmitudische knieval van de meest radicale aard. Pas na dat debacle kwam de bocht onder Peter Mertens om de PVDA salonfähig te maken, maar ook Mertens pleitte toentertijd voor Abu Jahjah als uitverkoren bondgenoot.

Een einde aan de hypocrisie

Naarmate het boek vordert haalt AlDe’emeh meer heiligenhuisjes omver. ‘Wanneer gaan we afstappen van dat politiek correcte discours over “kwetsbare jongeren” (…). De doorsnee-Belg lijkt zich stilaan aan te passen aan de criminaliteit en onveiligheid (…). Autochtonen laten zich te gemakkelijk doen’. En: ‘Waarom haten sommige mensen Marokkanen? Door dat storende gedrag (..). Ze stelen, liegen en bedriegen, schelden politiemensen uit … Misschien zit het in de genen’ (p. 72-73). ‘Het gaat inderdaad vooral om Marokkanen’ (p. 109). ‘Ze studeren onvoldoende, vinden geen baan, wonen dicht op elkaar gepakt in vaak verpauperde wijken, er wordt op ze neergekeken’ (p. 75). Hij ontdekte tijdens zijn onderzoek verbijsterende opvoedingssituaties. ‘Kinderen mogen geen speelgoed hebben. Knuffels zijn decadent en verboden (…) Er circuleren filmpjes waarop kleuters geleerd wordt hoe ze met een mes een teddybeer moeten onthoofden’ (p. 76).

‘In de eerste plaats moet de hypocrisie van de moslims zelf stoppen’, meent hij. ‘Ze moeten van hun slachtofferdiscours afstappen’. Het mag dus niet verwonderen dat de beroepsslachtoffers als Fikry al-Azzouzi deze Montasser AlDe’emeh haten. Tegen hun voortdurende pogingen om het land af te breken dat hen heeft opgevangen, herhaalt hij: ‘Moslims zouden dankbaar moeten zijn dat ze in België leven en niet in een failed state’ (p. 87). ‘Het vredelievende karakter van de islam hoort bij de wijdverspreide hypocrisie van moslims over hun geloof (…). Moslims slachten elkaar al eeuwen af’ (p . 90). ‘Hard tegen hard is de enige taal die ze begrijpen’ (p. 96). ‘De onderlinge sociale druk is onvoorstelbaar groot’ (p. 100).

Naarmate het boek vordert geeft Jan Lippens steeds meer tegenwind, misschien oprecht, misschien omdat dit bij het spel hoort. Hij verwijt AlDe’emeh te veralgemenen als de meest platvloerse populisten en islamofoben. Deze reageert met de stelling dat we, door de intocht van Syrische vluchtelingen vandaag, binnen een paar decennia opgezadeld zullen zitten met een nieuwe verloren en verwarde generatie (p. 110). ‘In Europa zijn we niet in staat geweest om moslimgemeenschappen die hier al decennia leven goed te laten integreren. Hoe zouden we dat dan kunnen met moslims die nog vastzitten in obscurantisme’.

Ze beseffen niet hoe goed ze het hier hebben

Hij spreekt zich daarom uit voor opvang in de moslimlanden zelf (p. 112), bij voorkeur in Saudi-Arabië (p. 148). ‘Dan gaan ze misschien beseffen hoe goed ze het hier hebben’ (p. 150). ‘Mijn grote vrees is dat we een potentiële burgeroorlog importeren in Europa’ (p. 113). Hij pleit daarom voor grenzen aan de empathie. ‘Het is toch niet normaal dat moslimjongeren niet werken en toch minder materiële zorgen hebben dan mensen die door pech uit de boot vallen? Het is toch niet normaal dat sommigen alleen zwartwerken en toch een leefloon krijgen? Of dat ze in Marokko wonen en in België een uitkering opstrijken?’ (p. 120).

Wat hem opvalt is hoe normaal een niet werkend deel van de moslimbevolking dat vindt. De staat zal wel voor hun kinderen zorgen en als het helemaal fout loopt, dan komt dat door racisme. ‘Hun eigen verantwoordelijkheid houdt blijkbaar op zodra de kinderen ingeschreven zijn in een school en op zaterdag naar de Koranschool gaan. Moeder blijft thuis (…). Vader brengt zijn dagen door in het theehuis. En toch wentelen ze zich voortdurend in de rol van slachtoffer’ (p. 120-121). ‘De moslimgemeenschap is er mee verantwoordelijk voor dat een mooie stad als Brussel stilaan de reputatie van een vuilnisbelt krijgt (…). Waarom roept de buurt die mensen niet tot de orde?’ (p. 131).

Hij noemt een harde aanpak de eerste stap naar verzoening, maar keert zich wel tegen de verbale stoerheid van een Jan Jambon of Bart De Wever. Zij hebben niets bereikt, meent hij, want zij slagen er niet in de goedbedoelende moslims zelf als bondgenoten te mobiliseren (p. 132). Dat heeft evenwel diepe wortels: ‘Waarom zijn er zo weinig allochtone politiemensen (…)? Omdat ze vrijwel meteen als verrader worden gebrandmerkt’ (p. 145). Zijn conclusie: ‘Ik geloof niet dat begrip en empathie ons nog veel zullen vooruithelpen. We hebben nu moed en kracht nodig (…). Radicalisering kan maar gedijen door een combinatie van laksheid en hypocrisie bij de meerderheid van de moslimgemeenschap. Maar ook door de lakse houding van de overheid, die de moslims dringend als volwaardige burgers van dit land moet behandelen en als partners bij de strijd tegen het radicalisme betrekken’ (p. 156).

Een defensieve oorlog ver van huis

Mooi, maar hoe moet dat dan als de wortel van het geweld, de Koran en de Hadith, nog steeds niet bespreekbaar is? De geschiedenis van de mohammedaanse expansie blijkt doordrenkt te zijn van bloed, maar dat zou allemaal gebeurd zijn na een vreedzame profeet? Toch was hij het zelf die de opdracht gaf om in Syrië te gaan plunderen in een zogezegd defensieve oorlog.

Ook Montasser AlDe’emeh heeft nog studiewerk voor de boeg, vrees ik. Ik hoop dat hij daarbij voortaan rustiger te werk zal gaan, hij is als persoon en getuige te waardevol om hem aan een stommiteit te verliezen.

De Jihadkaravaan. Reis naar de wortels van de haat, Lannoo.

De weg naar radicale verzoening, Polis.

Eddy Daniels

 

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!