Mohammed aanvaardde de Gouden Regel niet

Mohammed aanvaardde de Gouden Regel niet

De Gouden Regel zegt dat je een ander moet behandelen zoals je zelf wilt behandeld worden. Dat zou de basis zijn voor samenwerking tussen de godsdiensten. Probleem is dat Mohammed die regel niet accepteerde. Islamofielen proberen dit feit te ontkennen, de meest bekende voorbeelden daarvan zijn Karen Armstrong en Hans Küng. De positie van Armstrong als fellow traveller van de Organisation of Islamic Cooperation (OIC) besprak ik al in De ongekroonde koningin van de islamofilie. Hier wil ik het even over Hans Küng hebben, de beroemde theoloog die een poging deed om alle wereldgodsdiensten te verzoenen en daardoor tenslotte in dhimmitude verzeilde, het kritiekloos aanvaarden wat de mohammedanen beweren.

Hans Küng (°1928) was, met Joseph Ratzinger (°1927) en Edward Schillebeeckx (1914-2009), een van de belangrijkste theologen van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Na dit concilie liet hij zijn ongenoegen blijken dat er nog te weinig naar de theologen en te veel naar de bisschoppen geluisterd was. Hij lanceerde een reeks kritische teksten die het bijzonder goed deden bij een pers voor wie de hervormingen in de katholieke kerk niet snel genoeg op gang kwamen. Zijn kritiek kreeg een stevige duw in de rug toen paus Paulus VI (1963-1978) de kwestie van de geboortecontrole aan het Concilie onttrok. In weerwil van een brede consensus in de hiertoe aangestelde commissie, verbood hij in zijn encycliek Humanae Vitae (1968) radicaal elke vorm van kunstmatige geboortebeperking. Het was het begin van de leegloop van de katholieke kerk in haar kerngebied, Europa.

Kritiek op de onfeilbaarheid

Toen Karol Wojtyla aantrad als Johannes-Paulus II (oktober 1978) werden de hervormingen van het Concilie eerder teruggeschroefd dan voortgezet en haast meteen lag Küng onder vuur. Als het van de nieuwe paus alléén had afgehangen, dan was de kans groot geweest dat Küng uit het priesterschap was gestoten, zoals meteen met zijn Franse collega Jacques Pohier was gebeurd (april 1979). Küng werd aangepakt omwille van zijn kritische stellingname in Unfehlbar? Eine Anfrage (1970). [1] Dat boek behandelde de manier waarop het onfeilbaarheidsdogma van de paus was tot stand gekomen tijdens het Eerste Vaticaans Concilie (1870). De conservatieve vleugel in het Vaticaan, inbegrepen de nieuwe paus, vond zijn (terechte) aantijgingen dat dit halve waanzin was geweest in een bijna hysterische atmosfeer, schandalig. Küng moest uit de kerk verwijderd worden.

Küngs collega van de Universiteit van Tübingen, Joseph Ratzinger, was ondertussen aartsbisschop geworden van München. Hij heeft toen ongetwijfeld bemiddeld en heeft zijn vriend Wojtyla enigszins in toom gehouden. Wat hij later ook gedaan heeft als hoofd van de Congregatie van de Geloofsleer ten opzichte van de Belgisch-Nederlandse dominicaan Schillebeeckx, die essentiële geloofspunten van zijn kerk ontkende – ik beschreef dit uitvoerig in een boek uit 2006, Papa Ratzi. Paus en Ketter (2006). Küng behield daardoor zijn priesterschap maar raakte zijn missio canonica kwijt, zijn recht om als theoloog namens de kerk te doceren. De naam van zijn leerstoel in Tübingen werd veranderd van katholieke naar oecumenische theologie (er was aan die universiteit ook een leerstoel protestantse theologie). Zodat hij feitelijk alles behield maar onder een andere naam en met een grotere vrijheid. Maar dat zinde hem niet, hij wilde invloed uitoefenen op de kerkelijke hiërarchie en die weg werd voor hem afgesloten.

Een toonbeeld van kritische eruditie

In die onafhankelijkheid bleef hij kritische analyses maken die blijk gaven van een ontzagwekkende eruditie, met zeer precieze aanduiding van zijn bronnen. Hij had eerder al een monumentaal werk geschreven over de intellectuele oprechtheid van het geloof in God, Existiert Gott? Antwort auf der Gottesfrage der Neuzeit.[2] Dat gaf al in 1978 een antwoord op The God Delusion van Richard Dawkins dat een kwarteeuw later zal verschijnen (2006), maar komt niet eens in diens literatuurlijst voor. Zijn oeuvre werd bekroond met een analyse van dik 2500 bladzijden in drie delen over de drie grote monotheïstische godsdiensten. Die werd afgesloten met Der Islām; Geschichte, Gegenwart, Zukunft (2004).[3]

Een half jaar na Ratzingers aantreden als paus (als Benedictus XVI in 2005), werd hij door hem ontvangen voor de lunch en een vier uur durend gesprek te Castel Gandolfo. Na afloop maakte een communiqué publiek dat de nieuwe paus hem geprezen had voor zijn verzoenend werk tussen de wereldgodsdiensten. Ondertussen had Küng zich vastgebeten in een volgens mij nogal klagerige autobiografie, waarin hij zichzelf afschilderde als iemand die altijd gelijk had gehad, maar het niet gekregen had van wie hij het wilde krijgen: Erkämpfte Freiheit. Errinerungen (2003).[4]

Hij had nochtans een ‘parlement van wereldgodsdiensten’ opgericht (1993) rond een manifest, Towards a Global Ethic. Helaas een doodgeboren kind, want als je de deelnemerslijst bekijkt dan vind je daarop veel vertegenwoordigers van gerespecteerde maar marginale genootschappen, maar zo goed als geen woordvoerders van de grote kerken of geloofsgemeenschappen. Er zaten relatief veel quakers en bahai onder de ondertekenaars, sympathieke maar kleine groepen. Weliswaar ook vijftien moslims (tien procent) maar overwegend uit de VS en India, geen enkele uit de islāmitische kernlanden met een sterk uitgebouwde ulāma.[5] Het initiatief bleef steken in het stadium van goede wil, er ging niet echt iets van uit.

De wereld een rad voor de ogen draaien

In 2008 deed Karen Armstrong datzelfde nog eens dunnetjes over met een Charter for Compassion, een prijzenswaardige poging om alle religies te verenigen in een streven naar een vreedzame wereld, die gebaseerd zou zijn op wat ‘de Gouden Regel’ heet. Waarom zij zich niet gewoon aansloot bij Küng die gelijklopende doelstellingen huldigde, is mij niet duidelijk, maar in elk geval liep dit, voor zover ik het kon nagaan, ook al nergens op uit. Dat was voorspelbaar, want zowel Küng als Armstrong draaien de mensen van goede wil feitelijk een rad voor de ogen.

Moreel en intellectueel zijn zowel Karen Armstrong als Hans Küng nochtans hoogstaande mensen, en hun oproepen klinken prachtig. Ongeveer zoals toen John Lennon in een werelduitzending via de tv All you need is love zong. Het probleem is dat wat ze vertellen in verband met de Gouden Regel als basis van alle grote spirituele tradities, gewoon niet waar is. De klassieke formulering ervan stamt uit het Evangelie, ‘Behandel de mensen (in alles) zoals je wenst dat ze jullie behandelen’ (Mattheus 7:12; Lukas 6:31). Er was een eerdere formulering in Tobit 4:15: ‘Wat jij niet wilt dat men jou aandoet, doe dat ook een andere niet aan’. Dit was een Griekse tekst uit de judaeïsche diaspora die evenwel niet opgenomen werd in de Tenakh of de Hebreeuwse Bijbel, maar wel als canoniek erkend werd in de christelijke traditie.[6] Fragmenten ervan, in het Hebreeuws, zijn gevonden bij de Dode Zee in de grotten van Qumran. Het ontstaan van de tekst wordt momenteel ingeschat ergens tussen 225 en 175 vCT, ook al situeert de auteur zelf zijn verhaal in de achtste eeuw vCT.[7]

Strikt genomen is Tobit dus een judaeïsche erfenis die slechts bewaard bleef in christelijke traditie. De context is belangrijk: de vermaning volgt op een aanmaning om als eerste vrouw een vrouw uit het eigen volk te nemen, want het Judeïsche volk is een volk van profeten (4:12).[8] Het is dus van de eigen volksgenoten dat men moet houden (4:13). Het gaat bijgevolg niet om een universeel gebod, als in de latere christelijke tekst bij Mattheus en Lucas, maar om een tribale regel die compassie oplegt binnen de eigen stam, eigen volk eerst. Dat geldt ook voor de tekst uit de Torah[9] waar meestal mee gewuifd wordt om de humaniteit van het vroege judaeïsme te bepleiten. Wie die onbevooroordeeld leest, stelt eveneens een diepgewortelde etnocentrische ondertoon vast:

Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt gij u niet schuldig aan de zonde van een ander. Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben Yahweh’ (Leviticus 19:17-18).

De term die hier voor ‘naaste’ wordt gebruikt is r’ē, en dat is eerder ‘kameraad’, wij zouden vandaag zeggen ‘collega’. Het leunt dicht aan bij ‘volksgenoot’ in de zin dat het iemand uit de eigen omgeving betreft. Ook in de oudste judaeïsche traditie komt de Gouden Regel dus eigenlijk niet voor, tenzij dan binnen de eigen gemeenschap. Eigen volk eerst.

Niet het eigen volk, maar alle volkeren

Hoe dan ook, de Regel zoals voor het eerst geformuleerd in Tobit, werd overgenomen in Mattheus 7:12a en volgt daar op de aanmaning niet te oordelen om niet geoordeeld te worden (7:1), zonder dat daar een etnische of chauvinistische bijbetekenis bij hoort. Bij Lucas 6:31 is de context zelfs nog duidelijker, daar volgt de Regel meteen op het gebod je vijanden lief te hebben en goed te zijn voor wie je haten (6:27). Verderop wordt benadrukt dat er geen verdienste aan is goed te zijn voor je vrienden, wel aan je vijanden lief te hebben (6:32, 35). Het is dus geen haarklieverij om te zeggen dat de Gouden Regel in het Oudtestamentische judaeïsme een mooie maar etnocentrische regel was, en pas in het christendom een universeel of kosmopolitisch karakter verwierf.

Toch komt hij ook voor in een uitspraak van rabbi Hillel (ca 40 vCT–10 CT) in de Talmud Bavli: ‘Wat hatelijk is voor uzelf, doe dat een ander niet aan. Dat is de hele Torah, de rest is slechts commentaar’ (Shabath 31a). Het doet sterk denken aan de uitspraak van Jezus toen iemand hem vroeg welk het hoogste gebod van de Torah was: ‘Gij zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’.’ (Mattheus 22:37-40). De Griekse term die hier gebruikt wordt voor ‘naaste’ is plèsios, ‘buurman’.

De vraag is of dit ook gold voor buren die tot een ander volk behoorden. Jezus zelf lijkt daar lang rond geaarzeld te hebben. Het Johannesevangelie laat hem in een dispuut met een Samaritaanse vrouw zeggen: ‘De redding komt uit de Judeërs’ (4:22b). Het was op zich al verwonderlijk dat hij als vrome Judeër in gesprek wilde treden met een vrouw, dan nog een Samaritaanse, de vijandige rivalen van de Judeërs. Marcus en Mattheus laten hem later zelfs op zijn nummer zetten door een Griekse Syro-Fenicische of Kanaäntische vrouw uit Tyrus. Hij zegt haar, als ze vraagt haar dochter te genezen, dat hij gezonden is naar Israël en dat het niet goed is het brood van de kinderen (van Israël dus) aan de honden te geven. Zij repliceert dat de honden wel de kruimels mogen eten die van de tafel vallen (Mc 7:24-30; Mt 15:21-28). Dit lijkt op hem een diepe indruk te hebben nagelaten en is mogelijk zelfs het beslissend moment geweest waarop hij zijn etnocentrische visie verving door een universele. Je zou bijna kunnen zeggen dat het universalisme van het christendom uitgelokt werd door een vrouw, een niet-Judeïsche vrouw dan nog.

Een kwestie van de kip of het ei

Het is een hele kwestie of Jezus het gebod tot naastenliefde nu aan Hillel heeft ontleend dan wel Hillel aan Jezus. Hillel leefde een generatie eerder, en dus wordt vaak beweerd dat Jezus bij hem in de leer was geweest. Maar de Talmud zelf werd pas na de Evangeliën samengesteld en is historisch zeer onbetrouwbaar; zodat het goed mogelijk is dat de tannaïm of verzamelaars een uitspraak uit de Evangeliën in de mond hebben gelegd van ‘hun’ Hillel. Alleszins: tegen pakweg 500 bestond de primauteit van de naastenliefde in beide tradities.

Ongeveer honderd jaar later ontving Mohammed dan zijn openbaring. Noch in de Koran, noch in de Sira (het levensverhaal van de profeet), vinden we de Gouden Regel in enige vorm terug. Dat is wel het geval in de Saḥiḥ (I, 18:72-73, p, 31) van al-Muslim Ibn al-Hajjaj (821-875). Ook daar is de formulering dubbelzinnig in die zin dat de term ‘buurman’ wordt gebruikt (al-jār) en niet duidelijk is of dit slechts voor moslims geldt en de aan hen onderworpen ‘dhimmis’, dan wel of hierbij ook niet onderworpen andersgelovigen inbegrepen zijn.[10]

We moeten dit, net als in de Evangeliën, uit de context afleiden. Daar wordt, vooral uit Lucas, duidelijk dat met ‘buren’ alle buren worden bedoeld, ook de andersgelovigen. In de Saḥiḥ is het tegendeel het geval. De korte vermelding van al-Muslim wordt immers voorafgegaan door bladzijden die aandringen op het vechten tegen ongelovigen, en gevolgd door een reeks verzen die erop wijzen dat een moslim onaantastbaar is, in vergelijking met ongelovigen. De geest van die bron is dus hoegenaamd niet dat het gaat om een universeel gebod, wel om een ummacentrische regel. Dat komt nog scherper tot uiting als men de Koran zelf erbij haalt. Eén voorbeeld slechts, waarbij er weinig contextuele uitleg nodig is:

‘O gij die gelooft, neemt u niet de joden en de christenen tot verbondenen. Zij zijn elkaars verbondenen en wie uwer met hen gemeenschap aangaat, die behoort tot hen. Allāh leidt waarlijk niet recht de onrecht doende lieden’ (sūrah 5:51).

Küng en Armstrong scheppen een christelijke islām

Toch doen de christenen Küng zowel als Armstrong zonder blikken of blozen of de universaliteit van de naastenliefde in de islām overeen komt met die in het christendom. De eerste doet dat door een Indische islāmgeleerde te citeren ‘die zich de moeite heeft getroost om de verklaring te vergelijken met de Koran’ en tot de conclusie is gekomen dat zij in overeenstemming is ‘met de geest van de islām’. De vraag is om te beginnen waarom die man zich die moeite niet zou getroost hebben; hij is toch islāmgeleerde, dat is dus zijn job. En vervolgens, en essentieel: waarom hij spreekt over de geest van de islām maar niet over een vers in de Koran, en zelfs niet over een vers in de Ḥadīth.

Het merkwaardige is dat Küng, die altijd zorgvuldig over zijn bronnen heeft gewaakt, vervolgens een beroep doet op an-Nawawi (1233-1277), een Korangeleerde die dik zeshonderd jaar na de dood van Mohammed geschreven heeft, en van wie de getuigenis dus geen autoritaire waarde kan hebben: ‘Geen van jullie is een gelovige, zolang hij niet aan zijn broeder hetzelfde toewenst wat hij voor zichzelf wenst’.[11] Deze laattijdige uitspraak gaat dan nog over zijn broeder, net als bij Leviticus 19:17-18. Dat de ongelovigen bij die ‘broeders’ zijn inbegrepen, mogen we betwijfelen.

Het gaat dus om de zogezegde geest van de islām die er later door theologen in werd geprojecteerd – door christelijke theologen dan nog – en niet ondubbelzinnig om de tekst van de openbaring. Het lijkt nochtans weinig waarschijnlijk dat de engel Gabriël – die Mohammed de tekst van het heilige boek bracht – een zo cruciaal onderdeel zou vergeten zijn, mocht het er echt in hebben gestaan. En het lijkt ook bijzonder duidelijk waarom Armstrong en Küng dit fabeltje verzinnen: zij lijken ervan doordrongen dat als zij de Korangeleerden met voldoende overtuiging uitleggen hoe zij de Koran in christelijke zin moeten begrijpen, dezen dat ook zullen doen. In feite proberen zij christenen van hen te maken, via een christelijke interpretatie van de Koran. Daarbij deinzen ze voor geen misleiding terug. Zo beweert Küng dat ‘de Koran zegt dat het doden van een onschuldige mens gelijk staat aan het doden van de hele mensheid’. Dat is zeer duidelijk niet waar. Het juiste Korancitaat is:

Derwege hebben Wij voorgeschreven aan de zonen Isrā’īls dat wie een ziel doodt anders dan wegens een andere ziel of wegens verderfbrenging op aarde, is alsof hij de mensen al te samen gedood had; en dat wie haar tot leven brengt, is alsof hij de mensen al te samen tot leven had gebracht’ (sūrah 5:32).

De joden mochten zich niet verdedigen

Zoals iedereen kan lezen is dit een regel die door Allāh opgelegd werd aan de zonen van Israël. Dit vers was dus niet normerend voor de moslims in Medina, maar voor de joden aldaar. Het is overigens een tamelijk getrouw citaat uit de Talmud (Mishnah Sanhedrin 4:5; Bavli Sanhedrin 37a3), waar dit inderdaad letterlijk zo wordt gezegd.[12] In de Koran gaat het om een verwijt dat Mohammed de joden voor de voeten gooide toen zij zich tegen hem wilden verzetten. In de mate dat deze regel ook zou gelden voor de moslims, waar absoluut geen duidelijkheid over bestaat, is er een caveat of restrictie ingebouwd die men in de Talmud niet terugvindt: men mag een ziel wél doden ‘wegens een andere ziel’ (in bloedwraak dus); en ‘wegens verderfbrenging op aarde’. Daarbij wordt helemaal niet gezegd wie dat mag doen en op wiens bevel.

Vraag is nu wat dat is ‘verderfbrenging’. Dan moeten we naar de historische context kijken. In totaal stond Mohammed drie keer in scherpe confrontatie met de Joodse stammen in Medina. Alles wijst erop dat het ‘talmudische’ vers 5:32 tot stand kwam tijdens een van die conflicten, waarschijnlijk dit met de Banū Nadīr. Wanneer we ons dit realiseren, dan begrijpen we ook de feitelijke betekenis van deze openbaring. Er wordt niet gezegd dat een moslim geen ziel mag doden, maar wel dat de joden dat niet mogen doen. Zij mogen niet terugvechten. Het Koranvers dat daar meteen op volgt – maar dat Küng niet de moeite van het citeren vond – maakt dat overduidelijk:

Doch de vergelding van hen die Allāh en zijn boodschapper bestrijden en zich beijveren verderf te brengen in het land, is dat zij ter dood gebracht worden of gekruisigd of dat hun handen en voeten worden afgekapt van weerszijden of dat zij verbannen worden uit het land. (…). Weet dan, Allāh is vergevend en barmhartig’ (5:33-34).

Geen sprake van een Gouden Regel dus, maar harde Realpolitik: bekeer u of rot op, zonder verzet. Indien niet dan riskeer je een onmenselijke foltering. Niet in het hiernamaals, maar van de hand van de profeet en zijn aanhangers. En dit staat niet in een of andere omstreden Ḥadīth of in een biografie waarvan de isnād of overlevering niet betrouwbaar is, maar in het heilige boek zelf, de Koran.

Categorische Imperatief boven Gouden Regel

Ondertussen komt Küng er helemaal niet voor uit dat de Gouden Regel in de huidige mentaliteit hoegenaamd niet meer volstaat en geen fundering is voor de mensenrechten. Wanneer je immers een ander moet aandoen wat je zelf wilt aangedaan zijn, wat doe je dan met mensen die negatieve dingen voor zichzelf willen? Nemen we iemand die zichzelf wil uithongeren, om ascetische redenen bijvoorbeeld. Binnen de Gouden Regel zou hij anderen zo behandelen dat zij uitgehongerd worden. Of neem een vrouw die geen kinderen wil, mogelijk omdat zij lichamelijk contact met mannen maar vies vindt. Zij zou dan zich tot het uiterste moeten inspannen om vrouwen ervan te overtuigen ook geen kinderen te willen (of seks te hebben). De Gouden Regel wordt dus beperkt door egocentrisme (wat niet hetzelfde is als egoïsme, zelfzucht; egocentrisme is aannemen dat de eigen inzichten ook de inzichten van een ander zijn).

Tot dat besef kwam heel scherp Immanuel Kant (1724-1804), de Verlichtingsfilosoof uit het Oost-Pruisische Koningsbergen (vandaag Kaliningrad). Kant formuleerde tegenover de Gouden Regel de Categorische Imperatief. Die drukte hij op twee manieren uit, die allebei dezelfde uitkomst hebben: ‘Gedraag u steeds zo dat gij kunt wensen dat dit een algemene wet zou worden’. En: ‘Behandel de mensheid nooit slechts als middel maar ook als doel’. Concreet komt dit erop neer dat men uit zijn egotripperij wordt bevrijd. Als men de mensheid als doel moet behandelen, dan kan men niet wensen dat er geen vrouwen meer zijn die kinderen krijgen. En als men zich zo moet gedragen dat men kan wensen dat dit een algemene wet wordt, dan kan men niet streven naar een wereld waarin ascese met uithongering de algemene regel wordt, want dan valt de samenleving stil.

Zeer concreet: de Syrische vluchtelingen. Vanuit de Gouden Regel zou men gemakkelijk stellen dat men die mensen moet behandelen zoals men zelf wil behandeld worden, dat wil zeggen: dat zij liefdevol in huis worden genomen, omdat men zelf liefdevol in huis zou willen worden uitgenodigd, mocht men zelf vluchteling worden. In de praktijk betekent dit echter, wanneer er een vloedgolf van niet honderdduizenden maar miljoenen vluchtelingen (met dan nog een vreemde cultuur) op Europa afkomen, men die allemaal in huis moet halen. Dat zou als gevolg hebben dat het maatschappelijk kader in Europa zelf ontwricht wordt. Dat is strijdig met een primair EHBO-principe: een hulpverlener mag nooit op een dusdanige manier hulp verlenen, dat hij zichzelf in gevaar brengt. Dan kan hij trouwens ook geen hulp meer verlenen en zijn er twee slachtoffers in plaats van één.

Op een manier helpen die chaos vermijdt

Past men echter de Categorische Imperatief toe op de vluchtelingencrisis, dan komt men tot de volgende praktische conclusie: vermits de mensheid ons doel is, moeten we waken over structuren waarin de mensheid kan overleven. Een algemene chaos, die het gevolg zou zijn van ondoordachte hulp, past daarin niet. Men moet dus op zo’n manier helpen dat chaos vermeden wordt. Dit kan als gevolg hebben dat men de grens op een bepaalde plek sluit, maar dat belet niet dat men over die grens heen hulp verleent. Dat is zelfs voorzien in de Conventie van Genève.[13] Wat ik uit artikel 31.2 begrijp – en ik ben geen jurist – is dat een potentieel gastland het recht heeft een kandidaat-vluchteling ‘noodzakelijke beperkingen’ op te leggen. En dat de vluchteling zeker niet zomaar het recht heeft te kiezen naar welk land hij wil. Met andere woorden: strikt genomen mag het gastland hen zelfs in gesloten kampen huisvesten, als het dit nodig acht. Elke bewegingsvrijheid is een gunst, geen recht.

Dat is in feite het programma dat Angela Merkel onderhandelde met Tayyip Erdogan. Dat dit geen ideale oplossing was, is evident, maar de Categorische Imperatief streeft niet naar een utopie, maar naar wat praktisch in een bepaalde situatie haalbaar is. Dat blijkt ook als we de andere formulering bekijken. Als men de Syrische vluchtelingen zo behandelt als men zou willen dat het een algemene wet wordt, dan betekent dit dat men hen daar hulp verleent waar zij het dichtst bij hun land zijn, zodat terugkeer na het einde van de vijandelijkheden mogelijk wordt (en zelfs dat de jonge mensen ingezet kunnen worden voor de bevrijding van hun land). Dat is dus in de buurlanden. Uiteraard verloopt dat ook niet vanzelf en vlekkeloos. Een oorlog is nooit vlekkeloos.

Maar dat is dus de Categorische Imperatief. Die is evenwel in het mohammedanisme niet haalbaar, nog minder dan de Gouden Regel. Daar geldt immers de uitspraak van de profeet ten tijde van de raid op Tabūk ten opzichte van deelnemers die wegens pech of zwakheid de karavaan niet konden volgen: ‘Laat ze maar zitten. Als er iets goed in hen is, dan zal Allāh er wel voor zorgen dat zij ons weer inhalen. En als er niets goed in hen is, dan zijn we ook van hen af’.[14] Dat is de kern van de leer van Mohammed: Help yourself, so help you God. Er valt iets voor te zeggen, maar het is alleszins niet de Gouden Regel.

Eddy Daniels

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!




[1] Vertaald als Onfeilbaar? Hoe de paus onfeilbaar werd. Macht en onmacht van een dogma.

[2] Vertaald als Bestaat God? Antwoord op de vraag naar God in deze tijd.

[3] Vertaald als De islām. De toekomst van een wereldreligie

[4] Vertaald als Bevochten vrijheid. Herinneringen.

[6] Ik vermijd het word ‘joods’ omdat er een kwalitatief verschil is tussen het judaeïsme van de Oudheid en het joodse rabbinaat van na de Val van de Tempel van Jeruzalem in 70.

[7] Joseph A. Fitzmyer, Commentaries on early Jewish literature, 2003.

[8] Ik gebruik de term ‘judaïsch’ voor de godsdienst in de Oudheid, ‘Judeïsch’ voor het volk, al is dat onderscheid niet duidelijk te maken. Pas na de val van de tempel in 70 kunnen we van J(j)odendom spreken, omdat dit in het talmudische of tannaïsche rabbinaat een kwalitatief ander karakter kreeg.

[9] Torah kan vertaald worden als Wet of Lering, en omvat de vijf eerste boeken van de Hebreeuwse Bijbel, door de christenen Pentateuch genoemd. De Hebreeuwse Bijbel in zijn geheel wordt door de joden Tenakh genoemd. De Koran gebruikt voor de Tenakh de naam Taurāh.

[10] Volgens Andrew J. Lane, A Traditional Muʻtazilite Qurʼān Commentary: The Kashshāf of Jār Allāh Al Zamakjsharī (d; 538/1144), 2006, p. 29-30, n. 62, ligt de term jār in hetzelfde semantische veld als mawlā (cliënt, een ondergeschikte of knecht die bescherming zoekt) en ḥalīf (verbondene, bondgenoot). https://books.google.be/books?id=MNfFPLD9COcC&pg=PA29&lpg=PA29&dq=j%C4%81r+neighbour&source=bl&ots=k2g6OAaZht&sig=k7zLUb-hBeqb5NQt_9GhS29ae0U&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwimwv_S3JXMAhUBOBQKHQYvA6QQ6AEIJDAC#v=onepage&q=j%C4%81r%20neighbour&f=false Retr 17/04/2016.

[11] Küng, De toekomst, p. 790 noot 27.

[12] http://en.wikiquote.org/wiki/Talmud: Whoever destroys a soul, it is considered as if he destroyed an entire world. And whoever saves a life, it is considered as if he saved an entire world. H. Goldwurm ed., Talmud Bavli:, 1993, Tractate Sanhedrin, Volume 1. Ook geciteerd op een islāmitische website waar Ahmad Shafaat op een polemische wijze stelt dat de Koranische sūrah 5:32 een correctie is op een regel die in het jodendom foutief werd doorgegeven, http://islāmicperspectives.com/TafsirOfSurah5_32.html#04000001.

[13] In artikel 31.2 lees ik: ‘The Contracting States shall not apply to the movements of such refugees restrictions other than those which are necessary and such restrictions shall only be applied until their status in the country is regularized or they obtain admission into another country. The Contracting States shall allow such refugees a reasonable period and all the necessary facilities to obtain admission into another country’. http://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/StatusOfRefugees.aspx Retr 18/04/2016,

[14] Ibn Ishāq, 900b; p. 606. Tabarī, 9, 1700a; p. 53.