Meubels kregen ze indertijd van de mijn

Meubels kregen ze indertijd van de mijn

Moslims werden goed onthaald en opgevangen in ons land tijdens de eerste migratiegolf, zo getuigde een aantal ooit in De Morgen. Dat is in de Arabische wereld niet het geval. Toch zijn de volgmigranten later gaan klagen.

Ayfer Erkul, van Turkse afkomst, citeerde in een serie in De Morgen over Veertig jaar Turken in België (31/05/03) een pionier, Nazif Tura (66). De man kwam in juli 1963 naar ons land, met het tweede daartoe bestemde vliegtuig. Het was allemaal goed geregeld op de luchthaven in Brussel (…), we werden verwelkomd door belangrijke mannen. Daarna werden we in bussen naar verschillende mijnen gereden (…). De mijnen betaalden goed. In dezelfde serie tekende Peter Dupont de getuigenis op van een Limburgse vrouw die hen had zien arriveren: Ze werden neergepoot in houten barakken, die later door bakstenen huizen werden vervangen (…). Een half jaar later arriveerden vrouw en kinderen (…). De meubels kregen ze van de mijn (04/06/03). ‘Neergepoot’. Maar ze kregen wel hun meubels van de mijn.

De opvang verliep voorbeeldig

Selahattin Kocak getuigde:  Ik heb thuis nog een boekje van de mijn, met een rode kaft, dat mijn vader had gekregen bij zijn aankomst, volledig in het Turks waarin het bestuur van de mijn uitleg geeft over het leven in België (…). Menig integratiewerker kan er nog een voorbeeld aan nemen. Er staat bijvoorbeeld in dat het bestuur weet dat deze mensen waarschijnlijk geld naar Turkije zullen sturen. Het raadt de arbeiders aan om dat niet te doen via via, maar om hun geld via Belgische banken op te sturen omdat dat veiliger is. Men raadt aan om maximaal twintig procent te sturen. Uitvoerig worden alle ontspanningsmogelijkheden overlopen, tot en met een bezoekje aan de Antwerpse zoo. Eetgewoonten, geschreven en ongeschreven regels, veiligheidsvoorschriften en loontabellen (10/06/03). 

Aanvankelijk zouden die mensen overigens maar voor enkele jaren komen, geleidelijk aan gingen ze wortel schieten. Over terugkeer dachten ze amper nog na. Mehmet Ors (70 jaar) had het twee jaar lang geprobeerd, zo vertelde hij: Maar mijn kinderen bleven iedere dag thuiskomen met ‘papa, ze noemen ons Belgen en pesten ons’. Zelf kon ik er ook niet meer wennen. Nazif Tura: Hier is een betere ziekenzorg, hier moet je geen uren in de rij gaan staan in het ziekenhuis. (31/05/03). Dit alles staat in schril contrast tot de manier waarop gastarbeiders opgevangen worden in Arabische landen, vooral in de oliestaten aan de Golf.

De ‘geïmporteerde’ vreemdelingen van de jaren zestig kregen bij ons immers een contract aangeboden dat hen vijf jaar aan dezelfde baas bond, maar zo’n contract is volgens onze arbeidswetgeving niet afdwingbaar. Traden ze het met de voeten, dan behielden ze ongestoord hun verblijfs- en werkvergunning, en dat wisten ze snel. Met als gevolg dat velen inderdaad al na enkele maanden de mijnen verlieten, die hen aangetrokken hadden, en in fabrieken gingen werken die hen niet aangetrokken hadden. In de oliestaten aan de Arabische-Perzische Golf daarentegen krijgen gastarbeiders een contract van één jaar, jaarlijks te hernieuwen. De koppelbaas – die zij ‘sponsor’ noemen – houdt veiligheidshalve het paspoort bij. Moeilijkheden impliceren onmiddellijke repatriëring. Het is zelfs zo dat de koppelbaas van bij de aanwerving een oprotbedrag moet storten, dat dit mogelijk maakt zodra er de minste problemen zijn. De uitdrijving is administratief, juridisch verzet onmogelijk, rechtsbijstand onbestaande.

Gespecialiseerde advocaten beschikbaar

Bij ons staan er gespecialiseerde advocaten klaar, niet voor legale gastarbeiders met problemen – die kunnen bij hun vakbond terecht – maar voor vluchtelingen die zonder papieren hier aanspoelen. En dit nog voor ze illegaal ons grondgebied betreden. Zolang ze afwachten op hun al dan niet erkenning als vluchteling, mogen ze rekenen op OCMW-bijstand. Alle legale vreemdelingen krijgen dan vanaf de allereerste dag dezelfde sociale rechten als alle andere arbeiders, kinderbijslag, werklozenvergoeding, ziektezorg, pensioen, deelname aan het syndicale leven, inbegrepen verkiesbaarheid in de sociale verkiezingen, plus gezinshereniging en moskeeënbouw. In de Golfstaten geldt de geneeskundige bescherming voor de duur van het contract, geen dag langer. Van pensioen is geen sprake, kinderbijslag onbekend, vakbondswerking verboden, politieke rechten onbestaande, religieuze vrijheid onmogelijk.

Het doet daarom erg pijnlijk aan, in het progressieve tijdschrift Kenteringen, van de hand van de Belgisch-Marokkaanse filosoof Tarik Fraihi te lezen: Had men toen klare wijn geschonken, en tijdelijke vijfjarencontracten uitgeschreven, dan zou iedereen na die periode terug naar huis gegaan zijn. Geen haan die erom gekraaid zou hebben. Maar het beleid liet maar begaan. Er was noch een duidelijk menselijk onthaal bij aankomst, noch een degelijk terugkeerbeleid (02/03).[1] Strikt genomen geeft Fraihi de Belgische overheid dus over haar voeten omdat zij geen oprotbeleid heeft gevoerd, als de Arabische oliestaten, en ook geen slavernijcontracten heeft toegestaan, als in de Golf. Zo is België het natuurlijk altijd geweest.

Het tegendeel was inderdaad het geval, gezinshereniging werd bij ons actief aangemoedigd, voor de kinderen werd meteen kinderbijslag betaald, veel werkgevers hielpen bij de huisvesting. Moskeeënbouw stelde geen probleem, gesteld dat aan de bouwvoorschriften werd voldaan. Daarom stemt het eveneens bitter van een Belgisch-Tunesische socioloog als Sami Zemni in hetzelfde emanciperende blad het sarcastische verwijt te lezen: Een beetje couleur locale mag wel (…) maar vraag ons niet een minaret in ons straatbeeld te aanvaarden.

De parochiezaal stond ter beschikking

Sami Zemni vertelt natuurlijk zo maar wat, er staan wel degelijk minaretten in het Belgische straatbeeld.[2] En er zijn genoeg Belgische mensen die dagelijks verschillende keren verblijd worden door de zangerige oproep tot het gebed van de muezzin, zonder dat ze daartegen enig verhaal hebben. Zelfs protesteren tegen nachtvluchten bij Zaventem is lonender.

In vele islamitische landen echter is kerkenbouw bijzonder moeilijk of verboden, hoogstens mogen kerken blijven bestaan die er al waren voor de mohammedaanse invasie. Klokkengelui is per definitie taboe. Kerstfeestjes met christelijke symbolen worden in Saudi-Arabië verstoord door de muttawa of religieuze politie, zelfs in gebouwen gereserveerd voor westerse kaderleden.[3] In Rome heeft datzelfde Saudi-Arabië echter wel een grandioze moskee gebouwd, bijna in de schaduw van het Vaticaan. In het land zelf ligt er een Christian Highway om te verhinderen dat ongelovige voeten heilige grond bezoedelen, in een straal van vijftig kilometer rond de heilige steden Mekka en Medina. Liefdesaffaires tussen plaatselijke schonen en gastarbeiders hebben onmiddellijke uitwijzing, zo niet erger, tot gevolg. Waar dit wel toegestaan wordt, is het maar mogelijk zich blijvend te integreren – dus niet als toerist, maar als ingezetene – als men zelf islamiet wordt.

De gastarbeiders in Europa zijn daar tegenover in een cultuur beland die hen, en zeker hun kinderen, meteen dezelfde kansen bood als elke andere burger. Kansen die zij in hun thuisland meestal niet hadden, al was het maar die op fatsoenlijk onderwijs. Dat ze die kansen soms moeilijk wisten te grijpen, is een onvermijdelijk sociaal probleem dat een eeuw eerder ook gold voor boerenzonen van bij ons die afzakten naar de industriecentra ‘in de Walen’, les Flamins. Zulke problemen toeschrijven aan een systematisch racisme van onze overheid, of aan een diepe racistische inborst bij het ‘eigen volk’, getuigt van kwade trouw. Zoals het absurd is om te spreken over een gebrek aan menselijk onthaal, er zijn van autochtone kant integendeel veel blijken geweest van goede wil. Ik zou ze niet allemaal graag een bord soep geven, de pastoors die parochiezalen ter beschikking hebben gesteld van islamitische feesten.

De scholen kwamen bij mensen aan huis

Ook uit Marokkaanse hoek bestaan er positieve getuigenissen die dit bevestigen. Mimount Bousakla, in De Morgen in een column die later gebundeld werd: Van bij hun aankomst in België werden de nieuwe buitenlandse arbeiders enorm goed opgevangen. De werkgever zorgde voor een woning (…). Van racisme was er toen nog geen sprake, integendeel. Mijn vaders baas zorgde er persoonlijk voor dat de papieren van zijn buitenlandse arbeiders in orde waren (…). Regelmatig kwam hij ook op bezoek. En: Ook voor de kinderen werd gezorgd. De scholen stuurden tijdens de vakantieperiodes zelfs iemand naar de gezinnen om zich voor te stellen en de ouders gerust te stellen (…). Voor de gezinnen die het niet zo breed hadden, haalden de scholen voedsel- of kledingpakketten op.[4]

Het is pas met de tweede generatie dat het is misgelopen, zo stelde ook Bousakla. Deze jongeren voelen zich vaak snel aangevallen en reageren dan soms arrogant of agressief (p. 28). Wat is er toch misgelopen tussen die eerste, tevreden generatie en de ontevreden tweede, en zelfs opstandige derde generatie? Want terwijl vele vreemdelingen van de meest uiteenlopende oorsprong – ook vele Marokkanen – zich nog steeds vlot inpassen, en op een constructieve wijze een eigen leven opbouwen in een land dat het hunne geworden is, eist een luidruchtige minderheid bijna stelselmatig een grenzeloosheid voor zichzelf op die in een multiculturele samenleving ook voor ‘autochtonen’ onduldbaar is.

Eddy Daniels

Dit is een uittreksel uit mijn eerste boek, De Open Samenleving en haar Nieuwe Vijanden, 2005, p. 60-61. Nog verkrijgbaar via De Bron.

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!




[1] Hij herhaalde die argumenten in De Morgen 22/11/04: Toen had men duidelijke afspraken moeten maken. Over de wijze van opvang, over de lengte van hun verblijf.

[2] Volgens De Standaard 20/11//04 zijn er ongeveer 328 moskeeën in ons land.

[3] Jean-Marie Foulquier, Arabie Séoudite. La dictature protégée, 1995, p. 73.

[4] Mimount Bousakla, Couscous met frieten: Marokkaanse vooroordelen over Belgen, 2002, p. 26-27.