Imams draaien zich vast in taqiyya

Imams draaien zich vast in taqiyya

De avond van de aanslag op Charlie Hebdo kwam de toonaangevende Khalid Benhaddou, voorzitter van het Platform van Vlaamse Imams, op Canvas verklaren dat de profeet Mohammed vaak het slachtoffer was van geweldplegingen, scheldpartijen en beledigingen maar daar nooit met geweld op had willen reageren. Ofwel kent deze imam – die zichzelf nadrukkelijk ‘een islamdeskundige’ noemde ­ – zijn eigen gewijde geschriften niet, ofwel is hij een leugenaar. Ik haal enkele citaten aan uit de Sirat Rasul Allah van Ibn Ishaq, zowat de meest toonaangevende levensbeschrijving van Mohammed, een onvervalste islamitische bron uit de achtste eeuw, in de (Engelse) vertaling van Alfred Guillaume, aangevuld met gegevens uit andere hadith.

De immigranten wilden niet werken

We zijn na de Slag bij Badr (624). Mohammed had met zeventig volgelingen een toevlucht gevonden bij de landbouwers van Jathrib, omdat hij zogezegd vervolgd werd in Mekka. Hij zou er bemiddelaar worden in stammentwisten, en de stad werd herbenoemd tot Medina, ‘rechtsgebied’. De ansar of ‘helpers’ hadden deze muhajirun of ‘emigranten’ liefdevol opgenomen in hun woningen, maar na verloop van tijd vonden zij dat ze ook wel eens aan het werk konden gaan ­– zij wezen hen zelfs moerassige grond aan die zij konden draineren en vervolgens bewerken. Maar de volgelingen van Mohammed waren fiere Quraysh, kameeldrijvers van bedoeïenenafkomst. Zij voelden zich te goed voor boerenwerk (Mekka had een vulkanische ondergrond, het beschikte wel over water maar er groeide niets; de stad leefde van haar functie als bedevaartoord en karavaanserail). Dus weigerden zij, en vervielen tot armoede.

Een deel van zijn volgelingen wilde Mohammed verlaten en terugkeren naar Mekka, een deel van de oorspronkelijke bewoners wilde hem verdrijven. Daarop vond hij de oplossing: hij zou de karavanen van Mekka beroven als represaille voor het feit dat hij er zogezegd verdreven was. Dat leidde tot een botsing bij Badr, waarin Mohammed Mekka versloeg. Een hele hoop mensen in Jathrib / Medina vond dat schandalig. Zij hadden vrede verwacht en kregen oorlog. In die oorlog werden mensen afgeslacht – Quraysh uit Mekka – met wie zij traditioneel goede betrekkingen onderhielden.

Onder andere de charismatische dichteres Asma bint Marwan van de Banu Khatma, die ervoor had gezorgd dat haar clan niet mee uitgerukt was naar Badr, nam het woord. 'Verwachten jullie veel goeds van die profeet?', zo zong ze, 'nadat hij onze eigen leiders heeft vermoord, als een uitgehongerde wolf die zich op een vleesschotel stort? Is er dan niemand met voldoende eergevoel die hem onverwacht aanpakt en de hoop vernietigt van de onnozelaars die hun hoop op hem stellen?' Toen Mohammed hiervan hoorde, zegde hij: 'Wie zal mij verlossen van de dochter van Marwan?''

De opposanten werden geliquideerd

Umayr ibn Adiy – een clangenoot van Asma – ving dit op, drong 's nachts haar woning binnen en stak haar neer (Waqidi, geciteerd in Maxime Rodinson, Mohammed, p. 171). De vrouw had vijf kinderen en had haar jongste pas de borst gegeven. Ibn Sa'd (2 p. 31) vertelt dat haar kinderen op dekens rond haar lagen te slapen. Umayr had in het duister getast, tot hij de zuigeling vond, die van haar weggerukt en vervolgens zijn dolk in haar borst gestoken, zo diep dat hij er aan de rugkant weer uitkwam. 's Ochtends ging de sluipmoordenaar naar de profeet, die bezig was met zijn ochtendgebed. Nadat hij met hem de salat had verricht, vroeg hij hem of dit hem zou aangerekend worden – hij bedoelde niet de moord, maar wel de moord op een clangenoot, wat taboe was.

Mohammed antwoordde: 'Gij hebt God en zijn apostel goed geholpen, Umayr. Er zijn nog geen twee geiten die hun hoofd tegen elkaar zullen stoten om haar.' Daarop ging de man schaamteloos terug naar zijn eigen volk, waar er grote commotie was ontstaan, en hij bekende de moord. Toen zagen de mannen van de Banu Khatma – die al benauwd waren omdat zij zich hadden laten kennen door niet mee op te rukken naar Badr – eindelijk in hoe groot de macht was van de islam: een godsdienst die in staat was mensen zover te krijgen dat zij clangenoten konden vermoorden, dat was ongelooflijk. Dus bekeerden zij zich tot de leer van de profeet (Ibn Ishaq, p. 676).

Hetzelfde overkwam de honderdjarige dichter Abu Afak die zich van in het begin tegen Mohammed had uitgesproken. 'Ik heb nooit mensen gezien die steviger in hun schoenen stonden dan de zonen van Qayla,' (de legendarische moederstam van Jathrib), zo zong hij. 'Het ging om mannen die bergen omver wierpen en nooit opgaven. Toen daagde er een avonturier op, hij scheurde hen in tweeën, en decreteerde: "Dit mag, dit mag niet", en nog meer van die bevelen.'

Die kritiek maakte Mohammed bloednerveus en dus zegde hij ook over hem: 'Wie zal met die onverlaat afrekenen?' Salim Ibn Umayr trad naar voren en vermoordde de oude man, eveneens in zijn bed – het was een warme nacht en de grijsaard had zich zo veilig gevoeld dat hij de deur van zijn woning had laten openstaan. Achteraf ontstond er een spotdicht: 'Een godzoeker gaf jou een steek in de nacht, terwijl hij uitriep: "Hier, Abu Afak, ondanks je leeftijd krijg je nu wat je verdient!" Was het een man of een woestijngeest die jou neersloeg in de dood van de nacht? Wat maakt het ook uit.'

‘Jaag toch die gek bij jullie weg’

Tenslotte was er Ka'b Ibn al-Ashraf, eveneens een dichter en van moederskant verbonden met de joodse Banu Nadir. Toen hij het bericht ontving over de slachtpartij bij Badr, reageerde hij spontaan: 'Heeft Mohammed echt die mannen gedood, waar hij zich op beroemt? Dat zijn de edelste Arabieren, mensen van koninklijken bloede. Bij God, als Mohammed die mannen heeft afgeslacht, dan is het beter dood te zijn dan levend.' Hij voegde de daad bij het woord, en week – net als Abu Amir bijgenaamd ar-rahib of 'de monnik' voor hem al had gedaan – uit naar Mekka.

Daar stelde hij zijn talenten ten dienste van de propagandaoorlog. Spoedig werden zijn hekeldichten gedeclameerd rond alle kampvuren van geheel de Hijaz, noordwestelijk Arabië. 'De grond van Badr werd gemalen met het bloed van zijn volk. Als zoiets gebeurt dan ben je geneigd om te wenen en te huilen. De beste van alle mannen werden neergeslagen bij de bronnen [van Badr]. Hoe vreemd toch: prinsen bleven liggen, knappe mannen die daklozen opvingen, werden afgeslacht. Zij waren vrijgevig als de sterren geen regen gaven, droegen andermans lasten, heersten, namen slechts hun deel. Er zijn mensen van wie de boosheid mij verheugt, zij zeggen: "Ka'b Ibn al-Ashraf is losgeslagen." Ze hebben gelijk. Oh, was de aarde toch in tweeën gescheurd, toen zij gedood werden, om haar volk op te slorpen en te omvatten. Had toch maar wie dat nieuws uitdroeg zich gerealiseerd wat er gebeurd was, zodat hij van pure schrik blind en doof geworden was.'

Ka’b werd van repliek gediend met gedichten van Hassan ibn Thalib, de kleinzoon van Abu Qays. Dat was een godzoeker uit Jathrib die zich snel had neergelegd bij de suprematie van Mohammed en zich van de andere godzoekers had gedistantieerd. 'Nu weent Ka'b keer op keer,’ aldus Hassan, ‘en hij verkiest in vernedering te leven, zo doof als een pot (…). Allah heeft onze leider de overwinning geschonken en dezen die hem bevochten vernederd en doen knielen, met harten verscheurd van angst, op de loop als bange hazen.'

Ka'b repliceerde: 'Jaag toch die gek bij jullie weg, zodat je vrijgesteld wordt van uitleg die nergens op slaat! Verwijt je me het nu al als ik tranen stort voor mensen die eerlijk van mij hielden?''

Hassan reageerde weer: 'Neem afscheid van de rijkdommen van Damascus, mannen van Mekka, want de weg daarheen hebben wij versperd met onze zwaarden. In het gevecht hebben wij dat gedaan, wij vermalen jullie kansen tussen onze tanden zoals alleen drachtige kamelen dat kunnen. Probeer maar eens door een vallei te trekken, te midden van de zandduinen, je zult van ons te horen krijgen: Die weg loopt voor jullie nergens meer heen.'

‘Ik zal daar wel voor moeten liegen’

Nadat hij een tijdlang had deelgenomen aan de woordenstrijd vanuit Mekka, keerde Ka'b toch terug naar Medina, waar hij zich verschanste in de versterkte nederzetting van zijn verwanten van moederlijke zijde, de joodse Banu Nadir. Daar begon hij liefdesverzen te schrijven waarin hij zich tot moslimvrouwen wendde en hen vroeg waarom zij zich zo op hun kop lieten zitten door een profeet die hen – zelfstandige oasevrouwen als zij waren – tot de status van bedoeïenenvrouwen wilde herleiden.

Opnieuw sprak Mohammed de bijna magische formule uit: 'Wie zal mij verlossen van Ka'b Ibn al-Ashraf?' En weer trad er een vrijwilliger naar voren, weer een naaste verwant van de belaagde persoon, Ibn Maslama. Eerst bereidde hij zich innerlijk voor op deze drastische daad, via drie dagen vasten. Toen Mohammed daarvan hoorde, liet hij hem bij zich komen en hij vroeg waarom hij dat deed.

'Omdat ik niet zeker ben dat ik uw opdracht uitvoeren kan,' zegde hij.

Waarop Mohammed antwoordde: 'Waar het op aankomt, is dat je minstens probeert.'

'Ik zal daarvoor wel moeten liegen en bedriegen,' stelde de kandidaat.

'Je mag doen wat nodig is,' repliceerde de opdrachtgever. Daarop verzamelde Ibn Maslama een groepje rond zich, waaronder Silkan, de adoptiebroer van Ka'b. Hij zond deze naar zijn verwant en die reciteerde hem poëzie – Ka’b wist dat Silkan gek was op poëzie. Toen hij hem hiermee gerustgesteld had, sprak Silkan op hem in: 'O Ka'b Ibn Ashraf, ik moet je een geheim vertellen. Die man is tot ons gekomen, en hij is voor ons een grote beproeving. Hij heeft de Arabieren tegen ons opgehitst en die zijn nu allemaal verenigd tegen ons. De wegen zijn voor ons onberijdbaar geworden, zodat onze families in nood verkeren en wij honger hebben.' Ka’b antwoordde: 'Dat had ik je toch voorspeld'. Waarop Silkan: 'Kan jij ons niet aan een partij dadels helpen om eens goed te eten?’, wetende dat de Banu Nadir gespecialiseerd was in dadelpalmbomen.

Ka’b maakte hem duidelijk dat hij dat zeker niet gratis wilde doen, tenslotte hadden ze zich tegen zijn advies in zelf in de knoei gewerkt. Hij vroeg dus een waarborg om zeker te zijn dat hij zou terugbetaald worden en stelde enkele vrouwen als losgeld voor.

Een godsdienst die zoiets klaarspeelt!

Silkan zegde dat hij hem daarbij niet vertrouwde. ‘Als ik vrouwen aan jou geef om je te dienen, dan kan ik er niet zeker van zijn dat ze niet voor jouw charmes vallen, en dan zijn ze sterk in waarde verminderd tegen dat ik ze terugkrijg. Twee maliënkolders en een partij wapens zal ik jou schenken die ik uit de buit van Badr kan ontvreemden.’ Ka’b verklaarde zich akkoord. Waarop Silkan: 'Ik kom vanavond met vrienden, en die zullen je van die wapens voorzien.' Silkan ging daarop Ibn Maslama en zijn bende halen, die nu een vrijgeleide kregen om gewapend de nederzetting binnen te komen, zogezegd omdat ze die wapens kwamen verkopen aan Ka’b. De profeet was met hen meegelopen tot in het zicht van de nederzetting.

Het was een maanloze nacht, en de samenzweerders liepen stilletjes tot aan de woning van Ka'b die pas gehuwd was en met zijn bruid in bed lag. Silkan klopte op de deur en vroeg Ka'b naar buiten te komen, maar de vrouw hield hem tegen: 'Doe dat niet, ik hoor boosaardigheid in de stem van die man.' Ka’b echter: 'Zelfs als hij boosaardig is, dan nog moet een moedige man hem onder ogen komen.' Silkan vroeg zijn adoptiefbroer dan om een eindje mee op te lopen, dan zou hij hem de maliënkolders tonen, en Ka'b ging argeloos mee. Op een duistere plek gekomen, riep de verrader: 'Sla de vijand van God!' Allen tegelijk sloegen zij op hem in, maar ze liepen elkaar voor de voeten en Ka'b riep zo hard om hulp dat heel de buurt wakker werd. Waarop Ibn Maslama zijn dolk greep, hem in zijn onderbuik stak tot aan zijn genitaliën, en de belaagde man eindelijk op de grond viel (Ibn Sa’d 2, p. 36-39). Vervolgens hakte Abu Nailah hem het hoofd af. Ondertussen was heel het Nadirkamp gealarmeerd, overal lichtten toortsen op en grepen mannen naar de wapens.

De overvallers vluchtten weg, maar één onder hen was gewond geraakt door de eigen zwaarden. Ze lieten hem achter. Gelukkig kon hij achteraf zijn gezellen toch nog vervoegen (Ibn Ishaq 553, p. 368). Toen ze weer allemaal samen waren gingen ze naar de profeet en hij verzorgde de wonden en zegde hen: ‘Allah is groot. Maak elke jood af die jullie tegenkomen’ (Ibn Sa’d 2, p. 37). Hassan Ibn Thabit maakte weer een vrolijk gedicht op het bloedige gebeuren: 'Wat een leuke bende kwam jij toch tegen Ka’b Ibn al-Ashraf, die 's nachts naar je kwamen met hun lichtende zwaarden. Dapper als leeuwen in hun junglekamp, tot zij jou bezochten in jouw schuiloord, waar ze jou de dood lieten proeven, uit toewijding aan hun profeet, met inzet van hun leven en welvaart' (Ibn Ishaq, p. 364-369, 482).

Eén man nam het zinnetje 'dood elke jood die je in handen krijgt' letterllijk op, aldus Ibn Ishaq: Muhayyisa Ibn Mas'ud. Op de markt botste hij op een joodse koopman, Ibn Sunayna, met wie hij vaak zaken deed. Zonder meer bracht hij hem om het leven. Muhayyisa's broer Huwayissa was geen moslim en wond zich op: 'Idioot, je doodt de man waar jij het vet op je buik aan dankt!' Waarop Muhayissa's antwoordde: 'Als de man die mij bevel heeft gegeven om hem te doden, mij bevelen zou om jou te doden, dan zou ik jouw hoofd ook afgekapt hebben.'

Daar viel Huwayissa bij stil: 'Bij God, een godsdienst die je tot zoiets kan brengen, moet geweldig zijn.' En hij bekeerde zich (Ibn Ishaq, p. 369).

De tijd van de illusies is voorbij

De Nederlandse arabist Hans Jansen, adviseur van Geert Wilders, wees erop dat de rijmende naam van de beide broers verdacht is en doet denken aan een sprookje, zodat hij de authenticiteit van dit verhaal betwistte. Wat hij een gelukkige zaak achtte, want – zo vroeg hij retorisch – zouden moderne moslims dit soort antieke verhalen werkelijk als leidraad voor hun leven willen nemen? (De historische Mohammed 2. De verhalen van Medina, 2007, p. 98). Maar dat was in 2007. Ik denk niet dat Jansen er nu nog aan zou twijfelen dat sommigen dat inderdaad doen.

Wim Raven, een bekeerling, was slimmer. Hij vertelde Ibn Ishaq na en nam het zekere voor het onzekere en liet deze verhalen zedig weg uit zijn mooi uitgezuiverde compilatie, zoals hij zoveel wegliet wat voor ons vandaag choquerend overkomt (Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed. De vroegste arabische verhalen, 2000). Daarmee werd meteen verdoezeld dat in authentieke Arabische bronnen, die door de imams voor gezaghebbend worden gehouden, de entourage van Mohammed afgeschilderd wordt als een moordenaarsbende zonder enige morele scrupule, liegend en bedriegend voor het geloof, een ideaal rolmodel voor terroristen. En dat gebeurt allemaal met Mohammeds duidelijke goedkeuring.

De bewering van Khalid Benhaddou dat de profeet geen geweld toestond als hij beledigd werd, klopt dus van geen kanten. Het gaat duidelijk om taqiyya, het recht van moslims om te liegen als zij daarmee het geloof en de profeet verdedigen.

Eddy Daniels

Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen. De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneelfinancieel of organisatorisch!