Hoe zinvol is Vlaams geld voor Brussel?

Hoe zinvol is Vlaams geld voor Brussel?

Elk jaar besteedt de Vlaamse Gemeenschap bijna 1 miljard euro in Brussel. Wat gebeurt er met dat geld? En vooral, hoeveel levert het de Vlamingen en Vlaanderen iets op? De meningen lopen sterk uiteen. Voor mij is het veel te weinig. Maar ook veel journalisten spelen een niet altijd even fraaie rol. Ze blijven onder meer steken in de karikaturen en de voorbijgestreefde politieke schema's. Sowieso moet dat enorme budget ook veel meer respect opleveren.

Enkele dagen voor de nationale Vlaamse feestdag analyseerden Dries Bervoet en Barbara Moens in De Tijd (8 juli 2017) hoe zinvol het is dat de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks 1 miljard uitgeeft in Brussel. Is het geen verloren geld? Het was een leerrijke analyse, maar een paar vragen bleven onbeantwoord. Eerder besprak ik al het Vlaamse onderwijs in Brussel: de Vlaamse scholen wierpen met succes een dam op tegen de verfransing van jongeren. Ik bouw hier voort op beide artikels, en diep ze uit.

Nederlands bij jonge anderstalige Brusselaars

Bervoet en Moens beschouwen Rode Duivel Vincent Kompany als symbool van multicultureel Brussel, ''het perfect tweetalige product van het Nederlandstalig onderwijs in de hoofdstad. Kompany, zoon van een Congolese vader en een Franstalige Brusselse moeder, was de eerste van een nieuwe generatie Ketjes (...) leerde Nederlands in het Koninklijk Atheneum in Anderlecht en bij de Vlaamse scouts in Ganshoren.''

Duizenden jonge allochtone Brusselaars genoten van Vlaams onderwijs in Brussel. In 2015 besteedde de Vlaamse Gemeenschap 635,5 miljoen euro aan 43.000 kinderen in het Vlaams onderwijs in Brussel. Dat vormt dan ook de grootste post in het miljard euro dat Vlaanderen jaarlijks uitgeeft in eigen cultuur-, onderwijs- en zorginstellingen in Brussel. Maar, wat De Tijd vergat, indirect financieren Vlaamse belastingbetalers daarnaast nog eens zo’n twee derde van de extra federale ²middelen voor het Hoofdstedelijke Gewest Brussel, middelen die de andere gewesten niet krijgen. Ze lopen ondertussen op tot een klein miljard en alles samen lopen de directe Vlaamse uitgaven in Brussel op tot zo’n 1,5 miljard.

De Vlaamse regering besliste in 1999 om met haar eigen voorzieningen op een derde van alle Brusselaars te mikken. Dat was toen goed voor zo’n 300.000 mensen. Dart hield ook rekening met Vlaamse leerlingen uit de rand die in Brussel school liepen – iets wat nu nog maar nauwelijks voorkomt. Die 300.000, dat is merkelijk meer dan het aantal Brusselse Vlamingen (Bervoet en Moens hebben het, licht politiek correct, over 'Vlaamse Brusselaars'). Op basis van de stemmen op Vlaamse lijsten schat men dat er zo'n 50 à 60.000 Brusselse Vlamingen zijn. Dat is minder dan 1 procent van alle Vlamingen. Zij genieten van zo'n 5 procent van het totale budget van de Vlaamse Gemeenschap.

De vraag of deze hoge Vlaamse uitgaven in Brussel verantwoord zijn, en hoe zinvol, is dus pertinent. Vooral omdat de Vlaamse partijen deze willen behouden. Daarover bestaat voorlopig nog een consensus.

De Brusselnorm als hefboom

Deze hoge Vlaamse uitgaven in Brussel vloeien voort uit de 'Brusselnorm'. Dat is een budgettair doel dat in 1999 werd goedgekeurd in het Vlaams Parlement. Het bepaalt dat de Vlaamse overheid haar culturele en welzijnsuitgaven richt (en financiert) op 30% van de Brusselse bevolking en dat 5% van de totale budgetten van de Vlaamse Gemeenschap voor deze posten plus onderwijs naar Brussel gaan. Voor scholen gold dat percentage van 30% niet omdat het aantal leerlingen de uitgaven voor 99% bepalen en dat aantal kan men niet zo gemakkelijk 'aansturen'.

Die consensus leed ook nauwelijks onder de afnemende stemmen op Vlaamse lijsten: van ruim 60.000 stemmen in 1999 tot 53.000 in 2014. Een van de argumenten voor die norm was het omkeren van de logica in één van de historische verfransingsmachines, het onderwijs. Bervoet en Moens: ''Verliep de ‘verfransing’ van Brussel vorige eeuw via het onderwijs, dan was het nu de bedoeling Brussel opnieuw te ‘vervlaamsen’ via eigen scholen, zorginstellingen en cultuurhuizen.''

Dat was de optimistische visie. Een meer pragmatische visie wilde vooral gelijke rechten verwerven door het overwicht van Franstalig onderwijs te counteren. In de eerste visie is de vervlaamsing mislukt. Het aantal stemmen op Vlaamse partijen nam immers af. Maar in de tweede visie is het eerder goed geslaagd. Vlaams onderwijs biedt, gemiddeld genomen, een hogere kwaliteit en het geniet een merkelijk hoger sociaal prestige. En in de bedrijven gevestigd in en rond Brussel scoren de Vlamingen eveneens beter – met dank aan hun betere talenkennis en scholing.

Maar politiek blijft het nog bij het oude. Zelfs de recente schandalen in Brussel veranderden dat nog niet (voorlopig toch). Voor Franstalige politici van de PS, de MR, de CDH, Défi én Ecolo blijven hun Vlaamse collega’s ‘des flamands de service’. Bervoet en Moens: ''Ze worden opzijgeschoven zodra ze in de weg lopen of te veel praatjes verkopen.''

Ook Sammy Mahdi, de nationale CD&V-jongerenvoorzitter, erkent dat: ''De Franstaligen blijven de lakens uitdelen en laten dat op tijd en stond voelen ook. Het is niet de enige reden waarom ik van Molenbeek naar Vilvoorde verhuis, maar het speelt mee''. Hij verhuist van Molenbeek naar Vilvoorde. Hij is ontgoocheld over hoe de Franstalige partijen Vlaamse politici in de hoofdstad behandelen. Maar blijkbaar is hij nog te groen achter zijn oren om te beseffen dat de slaafse onderdanigheid van de Vlaamse politici van de traditionele partijen en Groen in Brussel daarin een cruciale rol speelt.

In deze context wil Sven Gatz, Vlaams minister voor Brusselse Aangelegenheden, de Vlaamse uitgaven in Brussel nog verhogen. De budgetten zouden nu immers niet meer overeenstemmen met de realiteit en de noden: ''Het percentage van 5 procent is berekend op een totale Brusselse bevolking van 900.000 bijna twintig jaar geleden. Door migratie is Brussel nu de snelst groeiende stad van België, met 1,2 miljoen inwoners.''. Een eerder socialistische logica. Het zij zo.

Dansaert-Vlamingen op retour

De visie op Brussel verdeelt de Vlaamse politieke kringen in meerdere stromingen. Bervoet en Moens vermelden er twee: ''De ene vindt het sop de kolen niet waard.''. Deze groep meent dat ondanks alle genereuze steun allochtone Brusselaars toch nooit voor een Vlaamse partij stemmen, noch zich ooit Vlaming zou voelen. Anderen, zoals Frans Crols, oud-hoofdredacteur van Trends, stellen vast dat de Vlaamse politici zich steevast kruiperig blijven opstellen tegenover de Franstaligen, én meegaan in hun misprijzen tegenover Vlaanderen. Bervoet illustreert dat met 'de haat-liefdeverhouding tussen Vincent Kompany en de N-VA'. Crols wil daarom dat Vlaanderen Brussel laat vallen. Het zal al snel genoeg op blote knieën terug komen aankloppen. Een tactische aanpak dus.

De tweede stroming van Bervoet en Moens ''wil best nog meer geld in Brussel stoppen''. Recent verdedigde onder meer Sven Gatz (Open Vld) dat. Maar Bervoet en Moens miskijken zich op de verschillende motivatie van het idee. De Gatzen en Vanhengels van deze wereld willen doorgaan met de huidige aanpak, zijnde: subassertief – lees kruiperig – tegenover de Franstaligen én zonder te eisen dat de discriminaties van Vlamingen in Brussel ophouden. Dat is ook de visie van de 'Dansaert-Vlamingen', de Vlamingen die zichzelf niet zelden hautain als 'Nederlandstalige Brusselaars' omschrijven, dikwijls werkzaam zijn in de gesubsidieerde culturele sector of in openbare diensten en misprijzend staan tegenover Vlaanderen, en weigerachtig tegen elke actieve verdediging van de gelijke rechten van Vlamingen. Volgens hen is er geen noemenswaardige discriminatie meer.

Tekenend was dat 'hun' politieke partijen, Groen, SP.A, Open Vld en CD&V geen bezwaren maakten tegen de flagrante discriminaties van Vlamingen in Brussel die de regering Di Rupo I invoerde (maar die het Grondwettelijk Hof schrapte).

Maar er is nog een derde belangrijke stroming.

Een assertieve Vlaamsgezinde pro-Brusselse strekking

De N-VA was wel virulent tegen. Het was één van de initiatiefnemers van klachten tegen enkele van die discriminaties. Ze wonnen over quasi heel de lijn. De N-VA wil niettemin verder steun geven aan Brusselse Vlamingen en aan Brussel, maar dan op andere voorwaarden dan vandaag. Sander Loones, ondervoorzitter N-VA, is duidelijk: ''Brussel blijft onze hoofdstad, waarvan het internationale imago ook afstraalt op Vlaanderen en waar veel Vlaamse bedrijven hun hoofdzetel hebben. Alleen daarom moeten we een aanwezigheidspolitiek voeren'' (in De Tijd). De N-VA wil de twee grote gemeenschappen net een véél grotere rol laten spelen in het hoofdstedelijke gewest.

De N-VA vormt hierbij, samen met veel Vlaamsgezinde verenigingen een derde stroming, naast de twee die door Bervoet en Moens besproken werden.

Daartoe bekennen zich ook veel 'Brusselse Vlamingen van geboorte'. Deze derde groep meent dat 'de huidige middelen voor Brussel wel verantwoord kunnen zijn, maar enkel mits een assertieve houding tegenover de Franstaligen en meer directe inspraak'. Deze groep hamert voorts op het wegwerken van alle bestaande discriminaties én op wederzijds respect.

Deze groep heeft overigens ook geen schrik meer voor 'het Franstalige monster' dat eerst de Vlamingen in Brussel en daarna de Vlaamse Rand wil inpalmen.

Vlaanderen koos, enkele decennia geleden, voor een assertief beleid. Dansaert-Vlamingen doen dat dan af als 'de aanval'. In De Tijd: ''Harde cash moet de negatieve demografische realiteit compenseren. Wat Vlaanderen door zijn minderheidspositie aan brute politieke macht ontbeert, probeert het goed te maken door in onderwijs en cultuur ver boven zijn gewicht te spelen. Het zichtbaarste deel van de Vlaamse aanwezigheid in Brussel zijn de cultuurtempels. KVS, Kaaitheater, Bronks, Beursschouwburg en Muntpunt mikken in drie talen op een breed Brussels publiek. Daarnaast zijn er Vlaamse bibliotheken, rusthuizen, crèches en vrijwillige inburgeringstrajecten voor nieuwkomers.''

Deze bestedingen in onderwijs, welzijn en cultuur kwamen elders aan bod. Die deelanalyse suggereert dat inzet op Vlaamse onderwijs in Brussel – bij de huidige aanpak – méér baten oplevert dan bestedingen in cultuur en welzijn.

Ondertussen blijven alle wettelijke garanties op de gelijke rechten van Vlamingen en op de taalwetten een dikke klucht. Het ergste is dat het die kaste van slaafse 'Vlaamse Brusselaars' niets kan schelen. De Tijd durft de vinger wel op de wonde te leggen: ''De Brusselse diensten zijn officieel tweetalig, maar die wettelijke verplichting blijft dode letter. De vicegouverneur van Brussel controleert of de Brusselse gemeentebesturen de taalwetten naleven. Bij inbreuken mag hij besluiten schorsen, wat dan door de Brusselse regering moet worden bekrachtigd. ‘Maar die doet vervolgens niets’, zegt een ingewijde.''.

Typisch Belgisch en 'Bruxelles' eigenlijk, geld uitgeven voor een officiële instelling die in de praktijk totaal niets oplevert, en dat decennia laten voortduren. De belastingbetalers en de kiezers zijn voor hen overduidelijk vergeetachtige idioten.

Bruxelles wil geen volwaardig gewest zijn

De houdbaarheid van de actuele Brusselse instellingen staat hierbij zwaar onder druk. Het kost extreem veel, het discrimineert Vlamingen en het levert een zwaar ondermaatse openbare dienstverlening. Dat zijn natuurlijk deels ook de algemene Belgische problemen (een vergelijkbare openbare dienstverlening als in Duitsland, maar aan de kost van één derde hogere uitgaven). In Brussel wordt dat probleem op de spits gedreven: de Franstalige en de lokale en gewestelijke Brusselse openbare diensten scoren bijna steeds (veel) merkelijk zwakker dan de Vlaamse. Alles samen kent 'Bruxelles', meer nog dan België, een pijnlijk laag sociaal rendement op de openbare uitgaven.

Oplossingen worden dan gezocht in twee richtingen. SP.A, Groen en de Vanhengelaars (en alle Franstalige partijen) zoeken het in een volledige ‘verbrusseling’. Bij de volgens hen groeiende Brusselse identiteit willen ze alle gemeenschapsbevoegdheden naar Brussel overhevelen. Het ‘bicommunautaire model' is dan te begraven. Brussel zou daarbij nog grotere federale middelen moeten krijgen. En net zoals de huidige extra middelen zouden ze die dan ook aan zuiver lokale openbare dienstverlening moeten mogen besteden.

Grafiek: Vereenvoudigd schema van oorsprong en besteding van elke 100 euro uit de schatkist voor de 'hoofdstedelijke functie'. Voor meer hierover, zie het artikel van 7 april 2014copyright: De Bron.

 

Voor meer over deze recente regelingen, beslist onder Di Rupo I, zie de analyse van 7 april 2014. Onder Di Rupo I werd een grote extra financiering aan het hoofdstedelijk gewest toegekend – met instemming van CD&V, Open Vld, SP.A en Groen. Maar die zette de deur open voor een niet-omkeerbare extra transfer van enkele honderden miljoenen van Vlaanderen naar de Franstaligen. Dit is slechts één van de niet-omkeerbare transfers.

De N-VA, maar veel Brusselse werkgevers, inclusief ook enkele Franstaligen, zijn vierkant tegen dit model. De hoge kosten en de polariserende verhoudingen tussen de gemeenschappen die dat model kenmerken, zijn voor hen grote bezwaren. En voor de Vlaamsgezinden speelt ook het gegeven dat 'alles wat Brussels is geworden, Franstalig is geworden’.

Zelfs Sammy Mahdi, de jonge CD&V'er erkent dat: ''In Brussel blijft de lingua franca Frans. Verbrusseling betekent automatisch verfransing en verdrukking van het Nederlands en de Vlamingen. Een Brussels onderwijsnet? Nee, merci.''

Voor wat hoort wat

De Vlaamse voorstanders van de verbrusseling zouden misschien best eens goed nadenken over de gevolgen. Elke verbrusseling is een keuze om het zonder de andere Vlamingen te doen. Dat impliceert dus het opzeggen van de solidariteit met hen. Samen burger zijn van eenzelfde (deel)staat betekent dat men solidair wil zijn met de andere burgers van die (deel)staat. En als men het burgerschap van die (deel)staat opzegt, dan zegt men ook zijn recht op solidariteit op. De andere Vlamingen worden dan tot vreemdeling in hun eigen (huidige) hoofdstad gedegradeerd. Ze zouden er geen reële inspraak meer overhouden (maar, in de naïeve dromen van de verbrusselaars, nog wel véél geld aan moeten bijdragen).

De liefde tussen de Brusselse en de andere Vlamingen zou dan nog slechts van één kant komen. Is het dan niet onvermijdelijk dat Vlaanderen dan vroeg of laat alle bestedingen in Brussel stopt? Waarom zou Vlaanderen dan één cent aan de hoofdstedelijke functie moeten besteden? Waarom die 1,5 miljard nog elk jaar uitgeven in Brussel als de Brusselse Vlamingen eenzijdig voor Brussel zouden kiezen.

Naïeve verbrusselaars denken soms dat ze dat kunnen opvangen door alle forenzen die naar Brussel komen, daar te belasten. Alsof de democratie, Europa en de rechters het logisch zouden vinden dat er méér mensen in Brussel belast worden dan dat er mogen stemmen. En of het billijk en aanvaardbaar is dat mensen belast worden in de werkplaats daar waar 80% van de openbare uitgaven eerder met de woonplaats te maken hebben (de meeste of alle kosten voor onderwijs, volksgezondheid, welzijn, OCMW, ... plus alle openbare uitgaven voor de niet-werkenden, die met meer zijn dan de werkenden). Ze vergeten ook het grote gemak waarmee bedrijven in diensten kunnen uitwijken naar het minder etatistische Vlaanderen. Nu al zijn IBM, Deloitte en HP naar betere, Vlaamse oorden vertrokken. Een derde van de resterende Brusselse ondernemingen denkt nu al aan hetzelfde.

Tot slot, zal België zelf die verbrusseling overleven? Of hopen de profiteurs van de Belgische en de ‘bruxelles’se’ machtsevenwichten misschien dat ze voldoende Vlamingen dom en onwetend kunnen houden, en dat ze Vlaanderen in Brussel steeds verder kunnen uitkleden en de transfers naar ‘Bruxelles’ nog opdrijven?

Luc Ryckaerts, adviseur in een internationale organisatie, Brusselse Vlaming

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Steunen ons dan. Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!