Hilde Crevits hertekent de lerarenloopbaan.

Hilde Crevits hertekent de lerarenloopbaan.

Vlaams Minister van Onderwijs, Hilde Crevits, wil dat alle leraren voortaan 22 uren les geven in plaats van de huidige opdeling per graad in het middelbaar (22-21-20) of volgens onderwijssector (praktijkleraren 29, lager onderwijs 24 enz.). “Ik wil er meer harmonie in brengen”. Voor het overige is het haar bedoeling de verplichte prestaties buiten de lessen tot 4 uur per week te beperken.

Tot daar het nieuws gisteren, in feite een herhaling van plannen van topman Lieven Boeve van het VSKO (Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs), die in 2015 zei op die manier “een historisch onrecht” te willen recht zetten. “Waarom kan iemand uit de eerste graad wel 22 lesuren geven en iemand uit de derde graad niet? Er is geen enkele objectieve reden voor die ongelijkheid”, aldus zijn secretaris Chris Smits. Elders liet Boeve in die periode duidelijk verstaan dat het hem ‘ook’ te doen was om de besparing die dit met zich mee zou brengen. Even rijst de vraag of CD&V-minister Crevits iets goed te maken heeft bij de top van het katholieke onderwijs, top die, in tegenstelling tot zijn basis, zeer teleurgesteld was over de recente ‘onderwijsvernieuwing’. Maar dat moet u haar zelf vragen.

Eufemismen als ‘harmonie’ en ‘herstel van oude ongerechtigheden’ doen het - in deze tijden van drang naar absolute gelijkheid - steevast goed. Zeker bij dat deel van het grote publiek dat, zonder veel kennis van zaken, meent dat de taakbelasting in het onderwijs te laag ligt en dat vooral allergisch reageert op ‘vakantie’ in de sector. Maar ook binnen het onderwijs zelf, waar - en waarom zouden we dat verzwijgen? - best wel wat rivaliteit en onderlinge afgunst bestaan. Dit officiële discours valt ongetwijfeld bij velen in goede aarde. De vraag is of het zaad er niet eerder doornen en distels dan graan zal voortbrengen.

Want gaat het in feite niet om rookgordijnen die besparingsoperaties maskeren? Het alternatief is echte onwetendheid ter zake. Kunt u zich voorstellen dat ministers en topmannen - in tegenstelling tot het grote publiek - echt niet op de hoogte zouden zijn van de feitelijke taakbelasting op de werkvloeren die ze vertegenwoordigen? Het gaat me hier dan ook niet zozeer om het discours dat ze onderling in hun commissies onderwijs voeren maar wel om dat wat ze aan het grote publiek laten uitschijnen.

De eeuwige angst voor verschil

Eerst en vooral: waarom zou dat verschil tussen 20, 21 en 22 lesuren bestaan, als er geen reëel verschil in belasting op de werkvloer aan beantwoordt? Omdat de onderwijsverstrekker indertijd dacht: hoe kunnen we voortaan onrechtvaardig zijn? Of gewoon omdat er wel een verschil was en is? Ik waag me hier niet aan een oordeel over de taken van onderwijscollega’s uit andere sectoren dan de mij bekende, het ASO, wel wetende dat zelfs ogenschijnlijk eenvoudiger taken veel niet zo eenvoudige specifieke problemen hebben. Als er één sector is waar veel appelen met peren en andere boomvruchten te vergelijken vallen, dan wel het onderwijs.

Dus hou ik het welbewust voornamelijk bij een vergelijking van die drie graden binnen hetzelfde vak, het mijne. En neem dan gerust aan van iemand die 40 jaar lang in de drie graden heeft les gegeven - meestal in alle drie tegelijk - dat er wel degelijk verschil is qua taakbelasting.

Ter verduidelijking: terwijl in het ASO de eerste en tweede graad doorgaans het werkterrein zijn van bachelors (vroeger regenten) zijn tweede en vooral derde graad het terrein van masters (vroeger licentiaten). Classici mogen, als enige uitzondering, zonder meer les geven in de drie graden, wat voornamelijk te danken is aan het ontbreken van bachelors Grieks. Zij geven in de eerste graad evenzeer 22, in de tweede 21, in de derde 20 uur. Deze verdeling heeft dus uitsluitend met de ingeschatte taakbelasting te maken en niets met het verschil in diploma en niveau tussen regenten/bachelors en licentiaten/masters. Dit laatste is een onderwerp dat we - net als de minister - hier om z’n overgevoelige karakter ook welbewust buiten beschouwing laten. De enige oplossing voor problemen die daarmee te maken hebben, is een gelijkgeschakelde opleiding voor alle onderwijsniveaus. Zoals in gidsland Finland, bijvoorbeeld. Het kostenplaatje evenwel ...

Welnu, het werk in de eerste graad werd ooit door een al te retorisch aangelegde vakcollega betiteld als “een sinecure” in vergelijking met dat in graad drie of twee. Zo ver zou ik niet durven of willen gaan, want het lerarenberoep is in al z’n sectoren of niveaus ‘bijzonder uitdagend’, om zelf ook maar eens een eufemisme te gebruiken. Maar in wezen had hij gelijk.

Enkele voorbeelden. Een examen van een eerste jaar verbeterde ik op een uur of twee, drie. Een van een vierde jaar kostte me een dag. Dat van een zesde, daar had ik twee dagen voor nodig. En dat voor iemand die snel en efficiënt corrigeerde, al zeg ik het zelf. Het opstellen van die examens - doorgaans even arbeidsintensief als de correctie - kent gelijkaardige verhoudingen.

Idem wat lesvoorbereidingen betreft. In de eerste en tweede graad kan een leraar tegenwoordig terugvallen op goed gestructureerde handboeken, met alles erop en eraan, vers aangepast aan de allerlaatste mode in de leerplannen. Voor graad drie zijn de leerplannen evenwel zo uitgebreid dat handboekproducenten er niet aan beginnen, alvast niet in mijn vak. Ik diende daar hoe dan ook al mijn didactisch materiaal zelf samen te stellen, doorgaans door het gewoon tijdens de ‘vakanties’ van a tot z zelf te schrijven. En met iedere leerplanwijziging te wijzigen.

Niet voor niets dus dat best wat collega’s panikeren (en zelfs afhaken of enkel onder grote druk van de directie akkoord gaan) bij het vooruitzicht naar hogere graden ‘gepromoveerd’ te worden. Er zijn er bij geweest die een jaar lang voor hun klas in de derde graad stonden te wenen. Jawel, ik heb het nog steeds over classici, die gemakshalve nogal eens als luxepaardjes worden bestempeld. Er is immers ook het feit dat, hoe ouder de leerling, hoe steviger de leerkracht in z’n schoenen moet staan. Niet zozeer qua klasmanagement dat ook bij de kleintjes en middelmaatjes (pubers!) bijzonder veeleisend kan zijn, maar vooral inhoudelijk. Niets is dodelijker voor de autoriteit en appreciatie van een leraar dan het vak niet voldoende beheersen.

Besparing en / of extra belasting

Zijn we al onrecht op het spoor gekomen, onverantwoorde ongelijkheid? Laten we realistisch zijn: in wezen resulteert dit in een besparingsoperatie - zoals ook de vakbonden in 2015 van oordeel waren. En mogelijk is het ook een poging om het moeilijk aan te vullen lerarenbestand wat makkelijker gevuld te krijgen, nu masters niet zoveel schik lijken te hebben in een onderwijscarrière. Al zou het even goed averechts kunnen werken. Wie zegt dat diezelfde masters het onderwijs niet voor bekeken zullen houden, wanneer ze voortaan 5 tot 10 % extra lesuren (ook contacturen geheten) mogen presteren voor hetzelfde loon als voordien? En dat nadat ze reeds twee jaar langer hebben moeten besteden aan hun lerarenopleiding (een loonachterstand die niet of nauwelijks ingehaald wordt ten opzichte van de bachelors). Er zijn nu al zoveel masters die per definitie de neus ophalen voor onderwijs. Wat als de overheid hun takenpakket nog aanmerkelijk aandikt? Maar ja, zegt een cynicus dan, ook dat is een besparing voor de overheid: als er geen leraren zijn, moet men er geen betalen. Of het beroep daar ooit aantrekkelijker mee wordt en toekomstige generaties daarmee gediend zijn, betwijfel ik. Ik zou het eens bij onze noorderburen gaan vragen, die ondertussen alles van weten van lesuren die niet meer bemand geraken.

Wat dat luttele ‘ene uurtje verschil’ betreft, nog een ‘detail’ dat de meeste mensen allicht ontgaat. Lesopdrachten worden in het middelbaar onderwijs samengesteld uit blokken uren (klassen). In het geval van de classici uit mijn voorbeeld blokken van 4 of 5 uren, in graad drie uitsluitend 4 uren, in graad een en twee meestal 5 uren. Ik nodig iedereen uit een opdracht van 22 uur samen te stellen met dergelijke blokken. Dat zullen er noodzakelijkerwijze dus vaak genoeg 24 worden. En in plaats van 4 of 5 klassen dus 5 of 6. Terwijl een onderwijzer in het lagere onderwijs laten we zeggen 20 kindjes per week te verwerken krijgt, krijgt onze classicus er, à rato van 20 per klas, in plaats van 80 of 100 nu 100 of 120, oftewel een extra taakbelasting van 20% of 25%. Want bij ieder klasje horen vergaderingen (klassenraden, deliberaties), oudercontacten, rapporten en commentaren, voorbereidingen en correcties ... En niet te vergeten de privéhandleiding waarvan nagenoeg ieder kindje vandaag voorzien is. Over onbezoldigde taken (de betaling is gebaseerd op het aantal lesuren) als toezichten, wachturen, klastitulariaat, vakhoofd, commissievoorzitter hier, staflid daar, begeleider van reis zus of evenement zo zwijgen we zedig. Leerkrachten moeten per slot van rekening ook wat idealist zijn, nietwaar. Ik zou zeggen: gelukkig zijn de meesten dat.

Het verschijnsel gecorrigeerd lesuur en die extra taken

Op dit ogenblik zucht de lezer: ‘Daar staat er weer een aan zijn klaagmuur. Is 26 uren (22 lesuren + maximaal 4 extra uren) of in het slechtste geval dus 28 uren gedurende 40 weken per jaar echt te veel gevraagd? En wat met de verschillen die te maken hebben met de aard van de vakken, leerlingen, motivatie? En vaste benoemingen, zijn die niet nefast, kweken die geen beroepsprofiteurs?’

Ja, iedereen weet dat een LO-leerkracht minder lesvoorbereidingen heeft en al helemaal geen correcties. Maar niemand wil ruilen met de toestand van zijn of haar rug of andere onderdelen eens hij de middelbare leeftijd nadert. Wie dat wel ambieert, moet dan maar voor die job kiezen. Wat profiteurs aangaat: welke beroepsgroep wordt graag afgerekend op z’n minder voorbeeldige exemplaren? Verdienen gemotiveerden de verdenking niet-gemotiveerd te zijn?

Laat ik u er trouwens nogmaals op wijzen dat dit alles niet het onderwerp is van deze tekst, wél het al dan niet verantwoorde verschil in taakbelasting binnen de graden van het onderwijs. Het is daarom tijd u kennis te laten maken met het begrip ‘gecorrigeerd lesuur’ in combinatie met het verschijnsel ‘extra taken’.

We starten bij die 'maximaal 4 uur per week extra prestaties’ waar onze minister het over heeft. Die zijn wel erg optimistisch, om niet te zeggen volslagen wereldvreemd. Tenzij ze bedoeld zijn om het grote publiek mee te krijgen in het verhaal. Want iedere leerkracht denkt: ‘Meent een minister van onderwijs dat in alle ernst? Maar 4 uur extra per week?’

De minister is ongetwijfeld op de hoogte van de reële werklast. Die werd immers voor het eerst onderzocht door haar voorganger en partijgenoot, Daniel Coens in 1990, in een tijd dat er lang niet zoveel extra klussen waren (de tijd vóór de telkens opgezalmde leerplannen, de eindtermen, de juridisering en de bijkomende administratie, begeleiding en remediëring ...).

Toen reeds bleek dat de gemiddelde leraar - over alle verschillen heen - om een lesuur van 50 minuten te kunnen geven het dubbele aantal minuten presteerde: 95 i.p.v. 50. Het zogenaamde ‘gecorrigeerde lesuur’. Met als 'winnaars' de reeds genoemde classici, de ‘luxeleerkrachten’, die voor een lesuur van 50 minuten gemiddeld 123 minuten neerzetten. Wel te verstaan enkel voor les-gerelateerde taken (voorbereiden en nabereiden), oftewel voor 72 % van de volledige taak. Daarnaast ging 28% van de tijd naar extra taken zoals hoger al opgesomd. Reken maar uit.

Tussen haakjes: deze officiële 'gecorrigeerde lesuren' bedroegen in 1990 voor leerkrachten algemene vakken gemiddeld 98 minuten, technische vakken 95 en praktische 75. Het onderzoek gaf ook duidelijk aan dat “leraars in de derde graad vier uur per week meer werken ook al moeten ze minder uren les geven” (Klasse 14, april 1991, p. 11). Waarmee is aangegeven dat de hierboven beschreven eigen ervaringen mutatis mutandis ook geldig zijn voor de collega’s in andere vakken en dat ze niet op rekening staan van een toevallige overdreven werklust.

Voor het geval het rekenwerk te moeilijk zou zijn: 20 gecorrigeerde lesuren van 95 minuten = 31,66 reële uren, zijnde 72% van een totaal van 43,9 reële uren. Voor de gemiddelde leerkracht, een in wezen puur statistisch verschijnsel. Plus, voor de gemiddelde leraar in de derde graad, 4 uren; dus zo goed als 48 uur per week.

Sindsdien is er niet meer zo’n grondig onderzoek gebeurd. Een aantal meer beperkte (2003, 2006 ...) geven wel aan dat de taakbelasting enkel is toegenomen. Hebt u bijgevolg de indruk dat we te maken hebben een weinig objectieve grond voor het besproken verschil, het eigenlijke en enige onderwerp van deze tekst?

Samenvattend: zijn we ergens ‘oud onrecht’ of gebrek aan ‘harmonie’ tegengekomen? Een verschil dat gewoon uit de lucht is gevallen? Nee. Maar qua populisme is zo'n voorstel om het lessenpakket op te trekken van een deel van de leerkrachten (de kleinere groep - divide et impera) geslaagd met grootste onderscheiding. En een kus van de juffrouw.

Want er is en blijft veel volk dat bereid is te geloven dat het altijd vakantie is wanneer het school is, twee woorden die inderdaad exact hetzelfde betekenen, namelijk 'vrije tijd'. Wel te verstaan enkel voor de leerlingen, die door ons allen worden vrij gehouden van arbeid en de strijd om te overleven, om zo voor hun toekomst te kunnen zorgen. Maar ook dat verschil zal wel niet zo belangrijk zijn, zodat ik vrees dat veel kinderen er straks alleen voor staan na de ‘opwaardering’ van het lerarenberoep.

Michel Berger, leraar Latijn en Grieks van 1976 tot 2016

Voor verdere informatie, zie o.m.:

https://www.vlaamsparlement.be/commissies/commissievergaderingen/986377/verslag/989174/persoon/kathleen-krekels

http://www.coc.be/files/articles/.1838/BP10_taakbelasting.pdf

http://www.ethesis.net/leerkracht/leerkracht.htm

Klasse 14, april 1991, p. 6-15. https://www.klasse.be/archief/leesklasse/klasse-voor-leraren-van-april-1991/

Voor wie gaarne de gecorrigeerde lesuren van 1990 kent: geschiedenis-aardrijkskunde 105; klassieke talen 123; levende talen 103; economie 100; godsdienst-zedenleer 84; exacte wetenschap 101; lichamelijke opvoeding 67.

Dat de taakbelasting sinds 1990 alleen maar is toegenomen, wordt o.m. gesteld in een onderzoek uit 2003 van de Universiteit Antwerpen Management School en het Hoger Universiteit van de Arbeid, KULeuven, bij meer dan 1500 Vlaamse leerkrachten uit 73 basis- en secundaire scholen. Enkele citaten daaruit (Klasse 139, november 2003 - https://www.klasse.be/archief/lesgeven-wordt-steeds-zwaarder/):

“Globaal investeren leerkrachten vandaag meer tijd in hun lesvoorbereidingen en in overleg dan tien jaar geleden.”

“De gemiddelde leerkracht besteedt drie kwart van zijn tijd aan lessen voorbereiden, lesgeven, nawerk, buitenschoolse activiteiten en leerlingbegeleiding. Het andere kwart gaat naar activiteiten als overleg, administratie, toezicht, opvang, vorming, beleidsondersteuning en andere activiteiten die niet rechtstreeks met lesgeven te maken hebben.”