Het volk verstaat die arme elite niet (2)

Het volk verstaat die arme elite niet (2)

Volgens de antipopulisten zit ‘het volk’ – dat volgens hen eigenlijk niet bestaat – er compleet naast en heeft het geen goed beeld over de werkelijke gang van zaken. Maar: als de elite dat denkt, waarom vertelt ze het volk dan niet meteen de juiste toedracht? Het doet denken aan het beroemde sarcasme van Bertolt Brecht na de stakingen in de DDR in 1953: “Wanneer een partijleiding het volk niet meer erkent, moet ze een ander volk kiezen”.

Bovendien: als ‘populistische leiders’ slechts een kleine minderheid vertegenwoordigen, betekent dat dan ook dat ze ongelijk hebben? De antipopulistische elitairen zelf vormen toch ook maar een kleine minderheid? En zo willen ze het overigens ook! En: als ‘het volk’ toch onbekwaam is op eigen gezag de waarheid te kennen of te denken, kan die beperkte vertegenwoordiging via zogezegde demagogen toch geen criterium wezen? Er moet, in hun ogen, toch altijd een minderheid oordelen in plaats van de meerderheid. Overigens is de partij van Wilders in Nederland groter dan de VVD, waar hij zich ooit van afsplitste, en dus echt niet zo marginaal…

Maar laat ons even naar de geschiedenis kijken.

Het volk als zetel van lage lusten

Een eerste bekende figuur is de Griekse filosoof Plato. In zijn De Republiek (boek 8) trekt hij van leer tegen de democratische staat, die volgens hem toegesneden is op maat van de democratische mens: ‘Wanneer een jonge man, grootgebracht zoals we het daareven zeiden, namelijk zonder cultuur en in een geest van gierigheid, van de honig des hommels zal geproefd hebben en in contact komt met vreselijke en vurige beesten, die hem allerhande genoegens van allerlei kleur en aard kunnen bezorgen, dan moogt ge aannemen, denk ik, dat we daar het vertrekpunt hebben van zijn verandering en dat hij op weg is om van de oligarchie die in hem is, naar de democratie over te gaan’.

Ziedaar de democratie als de populaire tuin der lusten, waarin elke cultuur en elk edel menszijn – elke aristocratie – verzwolgen wordt door de kortzichtige en liederlijke verdorvenheid van de democratische mens. Livius vertelt in zijn Ab Urbe Condita (Sinds de stichting van de Stad) over de Romeinse consuls die in een vurige toespraak de alom gevierde volkse Bacchanalia (vergelijkbaar met ons carnaval van Aalst) afschilderden als oorden van ontucht en verweking, waar de oude elitaire soldatengeest ten gronde werd gericht. In zijn Vitae Caesarum (Keizers van Rome) doet Suetonius verslag van de brood-en spelencultuur die door keizers zoals Domitianus bewust werd bevorderd om ‘het volk’ tevreden te stellen.

Alexis de Tocqueville (1805-1859) in zijn Democratie in Amerika: “Ik zie dan voor me een ontelbare massa van in alle opzichten gelijke mensen, die heel egocentrisch bezig zijn met het rusteloos najagen van de onbeduidende, burgerlijke genoegens waar zij hun hart op gezet hebben. Ieder op zichzelf genomen vormt een eigen wereldje waarbuiten het lot der anderen zich voltrekt: zijn gezin en zijn kennissen betekenen voor hem de mensheid, want ofschoon hij zich beweegt tussen zijn medemensen, hij neemt ze nauwelijks waar, hij is met hen in voortdurende aanraking zonder dat zij hoegenaamd iets voor hem betekenen. (…) Boven al deze egocentrische individuen torent een enorm bevoogdend machtsapparaat als enige instantie die hun welzijn garandeert en hen van de wieg tot het graf begeleidt. Het is allesomvattend, voorziet en regels alles tot in details en wel met fluwelen handschoenen.”

Al deze figuren hebben twee dingen gemeen: ze behoren tot wat populisten de elite noemen en ze kijken met al dan niet uitgesproken meewarigheid neer op het volk dat door diezelfde populisten een afwijkende stem verkrijgt. Heel de geschiedenis al zijn er kleine groepen lieden geweest die zich boven de plebejische massa verheven voelden en zich daar ook naar gedroegen. Ze scheidden zich bewust van die massa af, sloten zichzelf in hun eigen wereldje van schijn- of ware grootheid op en bejegenden elkaar als geestes- en lotgenoten en deden dat nog met overtuiging ook.

Ooit was Karl Marx een populist

De waarheid is even kort als simpel: er bestààn mensen die zichzelf boven de grote massa verheffen; er bestààn mensen die heel veel macht hebben; en er bestààn mensen die in hun machtsuitoefening niet altijd even democratisch te werk gaan. Men moet dat erkennen, ook al is het simplistisch te denken dat een maatschappij in twee klassen uiteenvalt.

Zolang al als er mensen in samenlevingen wonen is er een probleem geweest met de juiste verdeling van de goederen en diensten en zijn er lieden geweest die voornamelijk hun eigen belang op het oog hadden. Wie daar tegenin ging waren populisten – destijds heetten ze volksmenners.

Het is een constatering waar geen zinnig mens omheen kan. Karl Marx wist er alles van, maar ook slechts uit de boeken en door hem verzamelde statistieken. Hij ging nooit met arbeiders om en toen het dienstmeisje van hem zwanger werd, werd ze met kind heen gezonden. Maar hij vond wel dat ‘het’ proletariaat als abstract begrip de voorbode werd van een nieuwe tijd.

De constatering evenwel dat er een verschil is in rang en stand, doet de ‘populistische’ mens van vandaag ook – vaak met goede argumenten, soms alleen maar op grond van vermoedens, maar voorzeker niet ongefundeerd. Hij is echter niet, als Marx, bereid zijn hoop te stellen op een nieuwe tijd waarin alles goed zal komen – het eschaton van het christendom. Hij wil geen perfecte maar wel een goede tijd vandaag. Dàt is, in de ogen van de elite, zijn grote misdaad, zijn fatale onwetendheid.

Jaak Peeters, oud HR manager en medestichter van de N-VA, blogt op Doorstrominwaar hij dit artikel al gepubliceeerde

Lees verder: Het populisme als vrucht van ontvoogding (3)

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!

Wie dit essay in zijn oorspronkelijke vorm wil lezen, kan terecht op het discussieforum van Dwarsliggers