Het grote gelijk waar je niets voor koopt (4)

Het grote gelijk waar je niets voor koopt (4)

Je kan Erdoğan beschrijven als een dictator en dus pleiten om hem ook als dusdanig te behandelen. Dat bevredigt wel je eigen geweten, maar de kans dat je Turken daarmee overtuigt is verwaarloosbaar.

Paul Cliteur bouwt in de bundel Erdoğan. Perceptie, reflectie, analyse van Uitgeverij Aktief nochtans een sterke case op voor een militante isolering van Turkije vanuit Europa. Toch zitten er mijns inziens enkele gaten in zijn redenering. Hij vertrekt in Erdoğan versus Atatürk of de zegeningen van het militante secularisme vanuit de eenvoudige vaststelling dat seculiere en democratische staten aan niet-seculiere en niet-democratische staten niet eenvoudig dezelfde rechten kunnen toekennen. Dit is verbluffend juist in zijn eenvoud en toch al te eenvoudig, want: volgens welk criterium bepaal je of een staat niet-seculier en niet-democratisch is?

Vreedzame coëxistentie brengt meer op

Je kan bij Turkije wijzen op de sterke perscensuur, de bevordering van de islam, de vervolging van de andersdenkenden onder allerlei voorwendsels, en dat zal je zelf bevredigen. Maar in de heersende nationalistische retoriek wordt door de erdoganisten daar altijd wel een voor de doorsnee-Turk goed klinkende uitleg tegen verzonnen, die zelfs anti-erdoganisten meesleurt. En nu kan je als individu of als groep wel zeggen dat jij vindt dat een bepaalde natie zich zus of zo gedraagt, maar de ene natie kan dat niet van de andere natie zeggen tenzij er overweldigende bewijzen op tafel liggen die ook door internationale organisaties onderschreven worden. En zelfs dan nog.

Internationale boycotacties zijn ook niet altijd erg efficiënt geweest en hebben vaak het omgekeerde effect bereikt, in die zin dat de bevolking die men wilde beschermen er het ergste slachtoffer van werd. De vijf principes van vreedzame coëxistentie van Zhou Enlai, die in 1955 in Bandung werden geaccepteerd tijdens de eerste conferentie van niet-gebonden landen, zijn volgens mij nog altijd het meest bruikbaar geweest, zij het intellectueel niet noodzakelijk bevredigend. Want ze maken de internationale betrekkingen tot een mijnenveld: het ene moment zal je horen dat je toch handel moet kunnen drijven, het andere moment dat handel met die en die echt niet kan. Opvallend is dat die retoriek zich meestal ontvouwt als het om zwakke landen gaat. Betrekkingen met Sudan zijn onfatsoenlijk, China wordt door onze politici (en koningshuizen) plat gelopen en voor Saudi-Arabië knijpt men graag de ogen dicht.

Los daarvan heeft Cliteur natuurlijk gelijk als hij stelt dat secularisme een ideologie is die zegt dat de staat zich neutraal moet opstellen, en wel om de burger de kans te geven zelf in volle vrijheid een ideologie of religie te omarmen. ‘De staat heeft geen godsdienstvrijheid,’ zegt hij terecht, ‘precies omdat de burger die wel heeft.’ In die optiek kan je natuurlijk vragen stellen bij een natie als China die zich nog steeds socialistisch noemt; bij Saudi-Arabië dat zich islamitisch noemt; maar ook bij Israël dat zichzelf als joods affirmeert. Je komt met die definitie dus snel vast te zitten.

De eeuwige zwakheid van de vrijheid

Cliteur pleit nu voor een seculiere islam, dat wil zeggen: voor een islam die de vrijheid in de seculiere staat en dus van de burger erkent. Het Turkije van Erdoğan zal beweren dat het dit doet, al brengt een Remi Hauman elders in de bundel in Turkije en het christendom overtuigende bewijzen aan dat het dat niet doet (en al lang voor Erdoğan niet deed; ook de nu zo bejubelde Koerden gingen daarbij niet vrijuit, zo stelt hij overtuigend; hun bendes waren stoottroepen in de Armeense genocide). Maar in de betrekkingen tussen staten moet bewijsmateriaal omgezet worden in juridische haarklieverij, en dan ben je voor lang onderweg. Cliteur stelt zich evenwel op het standpunt van de burger en dan kan je veel sneller de dialoog en zelfs de polemiek aangaan. Daarom breekt hij ook terecht een lans voor het respectabele van de term ‘islamofobie’. Wat een senator als Bert Anciaux bij ons onwettig heeft willen doen verklaren (wat hem gelukkig niet gelukt is).

‘Het is ieders grondrecht om ergens bang voor te zijn,’ stelt Cliteur, ‘en sommige fobieën zijn zeer redelijk.’ Hij kant zich evenwel tegen het misbruik van de term ‘respect’. ‘Je moet alleen respect hebben voor het respectabele (…). Respect voor rekenfouten is onzinnig (…). Je kunt wel mensen blijven respecteren die rekenfouten maken (..) maar dan is het toch ook bijzonder respectvol om die mensen tegen te spreken (…). Je bent niet “gematigd” wanneer je mensen in hun waan laat, maar je respecteert mensen als mensen door hen “voor vol” aan te zien en een gesprek aan te gaan. En dat geldt natuurlijk ook voor godsdienst.’

Hij geeft het voorbeeld van het Europees Hof dat in 2003 het besluit bekrachtigde van het Turks Hooggerechtshof dat de Refah Partij buiten de wet had gesteld omdat zij de invoering van de Shariah bepleitte. En wel omdat die stellingname strijdig was met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarbij Turkije zich had aangesloten. Edoch. Refah werd heropgericht als AKP en die pleit officieel niet voor de Shariah. Wat doe je dan? Moet je dan een intentieproces maken en beweren dat ze dat feitelijk eigenlijk stiekem toch wel doet? Nog steeds geldt de stelregel Die Gedanke sind frei, zelfs als het abjecte gedachten zijn (zoals de fundamentele ongelijkheid van moslims en dhimmi’s of kafirs). Zolang zij niet geuit worden, of niet in daden worden omgezet, kan je daar weinig tegen doen. Dat is de eeuwige zwakheid van de vrijheid.

Geen vrijheid toestaan voor onvrijheid

Cliteur stelt: ‘Zodra we ons realiseren dat we zwak zijn, kunnen we ons realiseren dat het nodig is dat we weer sterker worden.’ Juist. Maar hoe? Door onze principes op te geven en dus te worden wat we bestrijden? Dat zegt hij weer niet. Wat we moeten doen is de democratische krachten bevorderen tegen de dictatuur, meent hij. En dat kunnen we slechts als we ons realiseren dat democratie beter is dan dictatuur, en ons systeem dus beter dan dit van mensen of groepen of staten die naar dictatuur streven. De democratie is niet beter omdat ze ons systeem is, zo vervolgt hij, maar wij hebben ze tot ons systeem gemaakt omdat ze beter is.

We mogen anderen dus aanmoedigen om ook voor dat systeem te kiezen. Maar daarvoor moeten we durven om wie er anders over denkt te bekritiseren in een open debat. Dan botsen we op onze interne zwakheid: velen bij ons vinden dat arrogant, zelfs cultuur-imperialistisch. Cliteur verwerpt die visie: ‘Kritiseren is nooit arrogant. Wat arrogant is, is denken dat kritiek niet nodig is (…). Democraten erkennen hun feilbaarheid. Wat daarentegen heel arrogant is, is denken dat je de waarheid hebt gevonden in een heilig boek, dat je vervolgens boven alle kritiek verheven acht.’

Het is precies dat wat momenteel in Turkije gebeurt, meent hij. En dat heeft consequenties: ‘Wij democraten hoeven niet te “respecteren”, zelfs niet te “gedogen” dat Turken hun democratie [via een referendum] willen veranderen in een dictatuur.’ De praktische consequentie daarvan is voor hem dat Nederland inderdaad niet moest toelaten dat Turkse politici in Nederland kwamen pleiten voor een referendum dat de democratie in Turkije wilde beknotten.

Een taal gebruiken die zij begrijpen

Het kernprobleem raakt hij met die redenering echter niet aan: door die houding heeft Nederland niemand in Turkije, of onder de Turkse bevolking in Nederland, van mening doen veranderen en tot de democratie ‘bekeerd’. Integendeel, het heeft ook Turken geschoffeerd die het in wezen met de democratische beginselen eens zijn, en tegen de autoritaire politiek van Erdoğan en de zijnen gekant. Het heeft hen namelijk in hun nationale trots gekwetst en in de armen van Erdoğan gedreven. En waarom is dat zo? Omdat een regering nu eenmaal niet kan en mag – ook in de redenering van Cliteur – wat een burger wel kan of mag: oordelen op intenties.

Dat wist Erdoğan zeer goed toen hij zijn acolieten uitzond, en dat maakte strategisch deel uit van zijn provocatie. De regering Rutte had daar een tactische houding tegenover kunnen aannemen. Turkse politici kwamen in Nederland voor Erdoğans referendum pleiten terwijl Nederland zelf in volle verkiezingsstrijd zat, en Rutte de hete adem van Wilders in zijn nek voelde. Rutte had kunnen stellen dat het in die omstandigheden zeer onhoffelijk was van Turkije om politici uit te zenden, los van wat ze kwamen vertellen. Hij had kunnen stellen dat Nederland hierdoor in zijn trots gekwetst werd, en dat was een taal die iedere Turk – ook een laaggeschoolde, ook een erdoğanist – had begrepen.

Bovendien had hij kunnen stellen dat hij de vrijheid van meningsuiting niet hinderde, vermits er in Nederland genoeg Turken aanwezig waren die zeer vakkundig de standpunten van de AKP konden vertolken, zonder dat zij daarvoor de import van voor hen vreemde politici nodig hadden. Hij had zelfs kunnen stellen dat de AKP, door de ‘inheemse’ of ‘Nederlandse’ Turken onbekwaam te achten dit te doen, door Erdoğan in hun trots werden gekwetst want behandeld als onmondige kinderen. Hij had dus de verdediging van de Nederlandse Turken tegen de Turkse politici op zich kunnen nemen. Dat zou ongetwijfeld veel Turken aan het denken hebben gezet, wat nu niet gebeurd is.

Met welles-nietes verlies je altijd

Diezelfde tactiek had ook Merkel kunnen toepassen toen Erdoğan in hoogsteigen persoon in 2008 voor zestienduizend Turken in Keulen kwam verkondigen dat assimilatie ‘een misdaad tegen de mensheid’ is. Iedereen beseft dat dit natuurlijk een immense hypocrisie is, want in Turkije worden andersdenkenden of leden van andere volkeren al honderd jaar gedwongen zich te assimileren (sinds de afschaffing van het sultanische millet-systeem). Ik verwijs trouwens nogmaals naar de bijdrage van Remi Hauman in deze bundel, Turkije en het christendom, die met tal van voorbeelden aantoont hoe rücksichtlos die assimilatie daar in zijn werk gaat en ging. Al lang voor Erdoğan, en niet slechts door islamisten maar ook door seculieren.

Maar het gevaar is steeds weer dat je in een welles-nietes-spelletje belandt en dat verlies je altijd. Ideaal zou geweest zijn als Merkel haar ‘gast’ had laten weten dat zij dit als een hoogst onhoffelijke uitspraak beschouwde en dat zij hoopte dat hij dit in het vervolg na zou laten, op gevaar af anders niet meer tot het land toegelaten te worden. Niet omdat zij zijn vrije meningsuiting wilde beperken – opnieuw waren er Turken genoeg in Duitsland die zijn standpunt konden vertolken – maar omdat zij er niet van hield in haar eigen land geschoffeerd en dus in haar trots gekwetst te worden. Opnieuw zouden er veel Turken zijn geweest, in Duitsland en Turkije, die haar begrepen zouden hebben. Dan had zij gescoord. Nu heeft Erdoğan dat gedaan.

Men zou haar dan kunnen verwijten dat zij toegaf op principes. Maar het is niet aan een Duitse kanselier om te beslissen of er in Turkije een democratie moet zijn of niet. Wel of in Duitsland de normale diplomatieke geplogenheden gehandhaafd blijven, en tot die geplogenheden behoort elementaire beleefdheid. Ze had Erdoğan dus kunnen neerzetten voor wat hij feitelijk is: een ongelikte beer. Veel Turken waren zich dan voor hem gaan schamen en dat is veel effectiever dan hem uitschelden, zodat die idioot van een Duitse ‘komiek’ Jan Böhmermann gedaan heeft. Nu heeft hij zichzelf een heldenstatus verworven door zich als een onbeschofterik te gedragen en Erdoğan ook daardoor te laten scoren.

Eddy Daniels

Lees verder: De hamvraag: islamisme of nationalisme (5)

Anton Kruft & Perry Pierik ed., Erdoğan. Perceptie, reflectie, analyse, Uitgeverij Aktief, 17,95 €.

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch