Het einde van de progressieve wereldorde

Het einde van de progressieve wereldorde

Om de toekomst van de westerse wereld in te schatten, is het van cruciaal belang uit te zoeken wat precies de elite is waar de “populisten” tegen in opstand komen, en welke ideologie die elite drijft.

Een bewogen jaar is achter de rug. In juli kozen de Britten ervoor de Europese Unie te verlaten, en in november kwam er uiteraard het nieuws dat Donald Trump de Amerikaanse verkiezingen had gewonnen. De journalisten zijn het er bijna allemaal over eens dat 2016 het jaar van de populistische opstand geworden is, het jaar waarin de ontevreden en voorheen genegeerde massa's eindelijk hun stem hebben laten horen. Dat het vorige jaar een soort omwenteling inluidde, daar is niet aan te twijfelen. Maar wat kunnen we nu precies verwachten van deze omwenteling? Zal het komende jaar echt het begin van een nieuw tijdperk inluiden, waarin nieuwe opvattingen en zelfs een nieuwe mentaliteit de politiek zullen beheersen? Of zal het daarentegen moeilijker blijken dan gedacht om de status quo beslissend te veranderen en het establishment omver te werpen?

Om een antwoord op die vragen te kunnen geven, is het van cruciaal belang om eerst te definiëren wat eigenlijk de inhoud van de huidige status quo is, en aan te duiden welke mensen vandaag de dag het establishment vormen die deze status quo in stand houden. Want ondanks alle opiniestukken die reeds geschreven zijn over de tweedeling tussen massa's en elite, blijft het toch moeilijk te zeggen wat het begrip “elite” nu echt betekent. Daarnaast bestaat er verwarring over wat er nu eigenlijk moet veranderen om de ontevredenheid van de massa's te doen bekoelen, en om de afstand tussen de politieke elites en de gewone man kleiner te maken. En mainstreampolitici en journalisten maken natuurlijk handig gebruik van deze resterende onduidelijkheden om de kiezers zand in de ogen te strooien en zo hun eigen positie veilig te stellen.

Wat is nu eigenlijk de huidige elite?

Laten we beginnen bij het begrip elite. Mensen zijn overduidelijk ontevreden met iets dat met die naam aangeduid wordt, maar volgens veel journalisten en politici is de gewone man inconsequent in zijn afkeer van die elite, aangezien hij op een figuur zoals Trump stemt. Een miljardair zoals Trump hoort natuurlijk overduidelijk bij de elite, en gezien hij nu volop bezig is rijke mensen voor zijn kabinet te rekruteren, zal ook zijn regering er een voor en door rijke mensen zijn. Met zulk een argumentatie probeert het establishment de boze kiezer ervan te overtuigen dat de populisten bedriegers zijn wanneer ze beweren het lot van de gewone man te willen verbeteren, en dat hij het dus nog niet zo slecht heeft onder de heerschappij van de mainstreampolitici.

Maar in werkelijkheid is het begrip “elite” een stuk complexer dan het establishment wilt laten uitschijnen, en wellicht ook complexer dan de meesten van ons denken. De conservatieve Amerikaanse politieke wetenschapper Angelo Codevilla heeft zich uitgebreid beziggehouden met de studie van de elite, en met de vraag waarom er zoveel ontevredenheid over die elite bestaat. Volgens Codevilla kenmerkt de elite of het establishment zich niet door macht, rijkdom, of een hoge opleiding, hoewel figuren uit de elite wel altijd een van die kenmerken bezitten. De elite, of althans de elite waar de gewone man zich kwaad over maakt, kan beter gezien worden als een netwerk van mensen die dezelfde ideologische opvattingen hebben – in dit geval progressieve opvattingen – en voortdurend elkaars belangen behartigen.

In het establishment zitten dus niet alleen rijke mensen, en wanneer de gewone man over de elite klaagt gaat het evenmin over een welbepaalde politicus die teveel loon krijgt, of een bedrijf dat te weinig belastingen betaalt. Waar de boze kiezer zich aan ergert, is dat de elite een netwerk van geprivilegieerde mensen vormt, die de staat in handen hebben en de macht van de staat gebruiken om hun positie in stand te houden. Ook progressieve journalisten, academici, en vakbondsleiders – dus diegenen die het vaakst hun verontwaardiging uitspreken over de toenemende “ongelijkheid”- maken deel uit van de elite, omdat zij gebruik maken van hun connecties met de politiek en met elkaar om hun belangen te bevorderen. Aldus gelden volgens Codevilla andere wetten voor deze elite, en geraakt de samenleving langzamerhand verdeeld in twee groepen: het establishment, en wat hij de “country class” noemt, de burgers zonder privileges, die ernaar verlangen het systeem omver te werpen. De analyse van Codevilla vertrekt misschien wel vanuit de Amerikaanse casus, maar er is geen reden waarom ze niet op de rest van de Westerse wereld van toepassing zou zijn.

De naïeve linkse ideologie van de elite

Nu kunnen we ingaan op de ideologie die het establishment drijft. We spraken van “progressieve” ideologie, omdat de elite een specifiek type van links gedachtegoed aanhangt dat het best met die term aangeduid kan worden. Onze elites zijn niet extreemlinks of communistisch, maar eerder naïef-links, om het zo te stellen. Ze geloven niet in afschaffing van privébezit of klassenstrijd, maar streven naar een harmonieuze samenleving waarin iedereen vreedzaam samenleeft elk soort belangenconflict verdwenen is, en waarin geleidelijk aan alle menselijke problemen verdwijnen, voornamelijk door toedoen van de staat. Maar het is vooral in hun visie op buitenlandse betrekkingen en verhoudingen tussen culturen dat het “naïeve” aspect van de progressieve ingesteldheid naar voren komt: het huidige establishment gelooft dat alle internationale rivaliteiten opgelost kunnen en moeten worden via onderhandelingen. En dat er geen reden is waarom alle volkeren en landen, welke normen en waarden ze ook aanhangen, niet in vrede met elkaar kunnen samenleven.

De progressieve wereldvisie ontstond in de laatste decennia van de negentiende eeuw als een stroming binnen het liberalisme, waarmee ze veel gemeen heeft. Progressieve liberalen verwierpen het socialisme van de opkomende arbeidersbewegingen, maar geloofden wel dat de staat de verantwoordelijkheid had de armoede te bestrijden. Ze hadden een geleidelijke verbetering van de samenleving via wetgeving voor het oog, in plaats van klassenstrijd en communistische utopie. In de praktijk boekten de progressieve liberalen echter niet veel succes: de arbeidersklasse stemde immers liever op de socialisten die haar meteen herverdeling van eigendom beloofden, dan op de progressieve liberalen met hun timide voorstellen voor sociale hervorming. Ideologisch gezien kon het progressieve liberalisme ook moeilijk stand houden, omdat het eigenlijk van hetzelfde principe uitging als de socialisten, namelijk dat overheidsinterventie een legitiem middel was om onevenwichten in de samenleving recht te zetten. Vandaar dat de progressieve liberalen, hoewel ze voorstanders van individuele rechten beweerden te zijn, vaak coalities met de socialisten aangingen en hen gunstig gezind waren, terwijl ze de doctrinaire liberalen en conservatieven met haat en minachting bejegenden.

De vijand slechts in eigen rangen zoeken

Maar hoewel de progressieve wereldvisie op korte termijn verloor, is die visie dus op de langere termijn dominant geworden in de westerse wereld. Naarmate de arbeidersklasse zelf eigendom ging verwerven, raakten klassenstrijd en herverdeling uit de mode, en kwam er een soort zacht utopisme in de plaats, waarbij de overheid zeer geleidelijk aan alle menselijk problemen zou oplossen. Vandaag de dag zien we de vroegere verhouding van de progressieve liberalen tegenover het socialisme en de arbeidersbeweging gedupliceerd in de verhouding van het progressieve establishment tegenover de islam, de immigratie, en het multiculturalisme. Het establishment bestaat niet uit harde multiculturalisten, die de autochtone bevolkingen van het Westen volledig willen laten verdringen door immigratie uit de Derde Wereld, en zelfs het blanke ras uitgeroeid willen zien; evenmin veroordeelt het establishment de westerse cultuur of de westerse normen en waarden. Maar anderzijds promoten onze elites “diversiteit”, zijn ze voorstanders van massa-immigratie, en vinden ze dat “racisme” en “islamofobie” problemen zijn die de staat moet aanpakken.

De motivatie van het establishment is daarbij niet dezelfde als die van de harde multiculturalisten; ze willen geen oorlog tegen de Westerse beschaving, maar denken dat ze met hun politiek het samenleven van verschillende etnische, culturele, en religieuze gemeenschappen gemakkelijker zullen maken. Maar net zoals de progressieve liberalen vroeger een ambigue houding aannamen tegenover het socialisme, neemt het progressieve establishment vandaag een ambigue houding aan tegenover het harde multiculturalisme: voor onze politici is de vijand immers altijd het “extreemrechtse” racisme, bijvoorbeeld van het Vlaams Belang of Geert Wilders, maar nooit het multiculturele racisme van figuren zoals Abou Jahjah.

Het onderhandelende buitenlandbeleid

Op vlak van buitenlands beleid kwam de ommekeer er net na de Eerste Wereldoorlog, en de hoofdfiguren in deze evolutie waren Woodrow Wilson, de Amerikaanse president, en de Britse historicus Arnold Toynbee, die tijdens het interbellum een grote invloed uitoefende op het Britse buitenlandse beleid. Wilson geloofde dat de Verenigde Staten slechts veilig waren wanneer de rest van de wereld ook veilig was, en dus dat Amerika vanaf nu niet meer zijn nauwe nationale belangen moest nastreven, maar ook voor vrede en welzijn in de rest van de wereld moest gaan zorgen. Deze visie staat bekend als “liberaal internationalisme”. In het Verenigd Koninkrijk ontwikkelde Arnold Toynbee de doctrine dat het Britse beleid tegenover het Midden-Oosten niet langer de belangen van het Britse rijk moest behartigen, maar daarentegen de dominante volkeren van die regio moest helpen bij de ontplooiing van hun identiteit.

Maar vooral sinds de Tweede Wereldoorlog is het beleid van alle westerse landen zonder veel uitzonderingen progressief geïnspireerd geweest. Wat dat betreft moeten we meteen een paar zware misvattingen uit de wereld helpen. De dominante visie, zowel in de populaire opvatting als onder intellectuelen en politici, is dat de VS en andere westerse landen grootmachten zijn zoals eender welke andere grootmacht uit geschiedenis, die zoveel mogelijk hun macht proberen uit te breiden. Wie kort het verloop van de Koude Oorlog nagaat, ziet evenwel meteen dat deze klassieke visie grotendeels onzin is. Terwijl de VS net na de oorlog als enige land over een kernbom beschikte, maakten ze geen gebruik van die troef om de USSR onder druk te zetten, en vervolgens keken de Amerikanen rustig toe terwijl de Sovjets hun eigen kernbom ontwikkelden. In dezelfde periode liet Amerika de Chinese nationalisten in de steek omdat ze niet “democratisch” genoeg waren, waardoor China in handen van de communisten kwam en een grote vijand van de VS werd. Zowel in Korea als Vietnam gaven de Amerikanen zich over of deden ze concessies aan hun vijanden, terwijl ze in staat waren de oorlog op de grond te winnen. En dit zijn maar enkele voorbeelden van de gemiste kansen tijdens de Koude Oorlog.

De Verenigde Staten wilden nooit winnen

De reden voor het zwakke Amerikaanse optreden was dat de VS zich nooit ten doel stelden de vijand te verslaan. Toen Ronald Reagan de USSR als een “evil empire” bestempelde en een wapenwedloop wilde beginnen om de Sovjets op de knieën te dwingen, waren veel mensen gechoqueerd? Die reactie wijst er op dat Reagans voornemen als ongewoon gold. Het Amerikaanse foreign policy establishment ging er altijd van uit dat wereldvrede bereikt moest worden via de weg van onderhandeling, dat de internationale gemeenschap tot een regeling moest komen waarbij alle landen zich goed voelden. Op zich was er echter helemaal geen reden waarom de VS die aanpak moesten kiezen: economisch gezien stonden zij veel sterker dan de USSR, en was het dus perfect mogelijk de Sovjets via militaire of economisch druk te verslaan. De klassieke visie op de Koude Oorlog moet dan ook bijgesteld worden: het ging niet om een genadeloze strijd tussen twee ideologische kampen, aangezien de VS en het Westen hun belangen ondergeschikt achtten aan die van hun vijanden. De Sovjet-Unie kon slechts een grootmacht worden bij gratie van Westerse zwakheid.

De populaire perceptie dat het Westen een echte machtspolitiek zou voeren is de laatste jaren nog versterkt geweest door de opkomst van de pseudowetenschappelijke tak van de geopolitiek, die ervan uitgaat dat het buitenlands beleid van een land bepaald wordt door zijn geografie. In werkelijkheid is geografie slechts één van de factoren die een buitenlandbeleid vormen: een andere, en misschien de voornaamste factor, is van welke morele principes de overheid van een land uitgaat, en bijgevolg in welke morele termen het de internationale situatie ziet. Daarnaast komt de verwarring over de rol van het Westen en vooral de VS in de wereld, en de perceptie dat het Westen een neo-imperialistisch beleid voert, vooral voort uit het feit dat het Westen in zekere zin een zeer activistische buitenlandpolitiek heeft gevoerd. Westerse regeringen hebben het als hun plicht gezien de democratie en mensenrechten te verspreiden en “onderdrukking” te bestrijden. Een politiek die begon bij Woodrow Wilsons virulente afkeer van het Habsburgse rijk, in zijn ogen een absolute monarchie en gevangenis van volkeren. Erik von Kuehnelt-Leddihn gewaagde zelfs van een jihad om de Amerikaanse bestuursvorm over de wereld te verspreiden.

Slachtoffer van het eigen idealisme

Het enige probleem is dat deze activistische buitenlandpolitiek het Westen zelf niet ten goede komt – en de tegenstanders van het Westen weten dat maar al te goed. De Verenigde Staten hebben bijvoorbeeld vijf biljoen dollar uitgegeven aan de oorlogen in Irak en Afghanistan. Deze oorlogen ziet men vaak als voorbeelden van Westers neo-imperialisme, maar het eindresultaat is wel dat de VS financieel sterk verzwakt zijn en minder geld investeren in defensie, waardoor China, Rusland, Iran, en Turkije hun kans hebben gezien om in het resulterende machtsvacuüm te stappen. Terwijl de vijanden van het Westen janken over westerse agressie, lachen ze in hun vuistje omdat ze best tevreden zijn met het westerse wanbeleid. Deze landen zouden immers geen schijn van kans maken indien de Verenigde Staten en het Westen werkelijk hun nationale belangen zouden verdedigen – laat staan een echt imperialistisch beleid zouden voeren.

Tot op zekere hoogte hebben de meeste mensen zich vandaag de dag de progressieve principes van buitenlandbeleid eigen gemaakt. Wanneer we met vijanden geconfronteerd worden, denken we er zelfs niet meer aan dat we die met militaire macht of economische druk gewoon zouden kunnen verslaan, maar houden we meteen onderhandelingen, organiseren we conferenties bij de Verenigde Naties, enz. Opvallend is dat we – en vooral de progressieve ideologen – daarbij vaak denken dat we een hard strategisch spel spelen. Het beste voorbeeld is natuurlijk Henry Kissinger – die nog steeds universeel als een soort meesterstrateeg wordt beschouwd –, en zijn politiek van détente met de Sovjets. Hij wilde een stabiele wereldorde construeren via samenwerking tussen alle grootmachten, waarbij alle spelers concessies zouden doen om de internationale vrede te bewaren. Hoe de Sovjets met de regeling omgingen viel natuurlijk te voorspellen: de Amerikanen ontwapenden, terwijl de USSR zich rustig verder bewapende.

Anno 2016 denken veel fans van Obama dat de deal met Iran een slimme zet was, terwijl niemand zich schijnt te realiseren dat er geen enkele reden is waarom een grootmacht zoals de VS concessies moet doen aan een theocratisch hol zoals Iran. Ook de deal die de EU met Turkije sloot om vluchtelingen tegen te houden, wordt door de Europese leiders als harde Realpolitik gezien, terwijl niemand zich lijkt af te vragen waarom we niet gewoon onze buitengrenzen beter kunnen bewaken om vluchtelingen buiten te houden, in plaats van deals te sluiten met dictators zoals Erdogan. Het punt is natuurlijk dat mensen met een progressief wereldbeeld per definitie niet strategisch na kunnen denken, aangezien hun wereldbeeld om te beginnen hopeloos naïef is.

De onoverbrugbare kloof met de kiezer

Wat kunnen we nu, gezien de gegeven definitie van het establishment en zijn ideologie, zeggen over de toekomst van de westerse wereld?

Op vlak van binnenlandse aangelegenheden zijn er in feite twee mogelijkheden: ofwel houdt de status quo stand, ofwel mogen we een bittere strijd verwachten tussen het establishment en zijn ideologische tegenstanders. Sinds de Brexit en de overwinning van Donald Trump verklaren veel figuren uit het establishment zich misschien bereid om te praten met de populistische kiezer, maar wat ze daarmee bedoelen is vooral dat ze het progressieve gedachtegoed beter willen uitleggen aan de man in de straat – of om het anders te stellen, dat de indoctrinatie van de bevolking beter kan. Ze zullen de populisten met meer zachtheid behandelen, zoals men in de negentiende eeuw psychiatrische patiënten met meer respect ging behandelen. Neerbuigende arrogantie zonder einde dus.

Maar over het idee dat populistische standpunten, zoals angst voor immigratie, volledig irrationeel zijn, kan voor de elite nog altijd geen enkele twijfel bestaan. Het punt is echter net dat de gewone kiezer de standpunten van de elite nooit meer zal aanvaarden, met hoeveel propaganda hij ook overladen wordt. Mensen die zelf de gevolgen van de massa-immigratie aan den lijve ondervinden, zullen er nooit van overtuigd geraken dat die massa-immigratie een goede zaak is. Een van beide visies, de status quo of de reactie, zal dus aan het kortste eind moeten trekken.

Hierbij moeten we ook opmerken dat centrumrechtse partijen en politici, zoals de NVA, Bart De Wever, en in Frankrijk François Fillon, evenmin een oplossing bieden. Deze figuren mogen zich dan wel occasioneel van harde taal over immigratie en veiligheid bedienen, in essentie blijven ze deel uitmaken van het establishment. Zowel De Wever als Fillon geloven net zoals de andere mainstreampolitici dat islamitisch extremisme zich beperkt tot een zeer kleine minderheid van de moslims, en hun standpunten inzake immigratie zijn nog altijd zeer liberaal te noemen. Het beleid dat zij willen voeren, zal de westerse wereld niet behoeden voor het gevaar van islamisering en Balkanisering, en zal dus evenmin de boze kiezer weten te verleiden. Een politicus behoort ofwel tot het establishment of tot het non-establishment, maar kan niet tot beide tegelijk behoren, en kan dus op lange termijn ook geen “populistische” kiezers trekken terwijl hij een respectabel programma voorstaat. Het is de kwadratuur van de cirkel.

Het zelfgecreëerde monster bestrijden

Terloops is het misschien interessant op te merken dat er in de populaire afkeer van de elite en zijn standpunten ook een zekere ironie zit. De gewone man heeft heimwee naar de jaren vijftig en zestig, toen de overheid zogezegd nog zijn belangen behartigde, en niet die van de elite en de immigranten, die tegenwoordigheid zoveel geld van de sociale zekerheid opsouperen. Maar in werkelijkheid heeft de overheid nooit iets anders gedaan dan de belangen van de elite behartigen. Het enige verschil is dat tot de jaren vijftig en zestig de autochtone arbeidersklasse door linkse intellectuelen als het onderdrukte proletariaat gezien werd, terwijl het proletariaat van vandaag de Derde Wereld en de immigranten uit die gebieden zijn. Natuurlijk heeft ontevredenheid met immigratie ook te maken met zaken zoals terrorisme en criminaliteit, maar in zekere zin ergert de autochtone arbeidersklasse zich dus ook aan het feit dat niet zijzelf, maar anderen, de immigranten én de elite, nu het meeste profiteren van de herverdeling.

Daarenboven kan het fenomeen van een wereldvreemde elite die haar zakken vult niet los gezien worden van de vroegere opkomst van het socialisme, toen de staat steeds groter werd om voor herverdeling naar lage inkomens te zorgen. Nu klaagt de autochtone arbeidersklasse dat die zelfde overbemande staat hun belangen niet meer dient; maar door haar vroegere steun aan de almachtige staat heeft ze het monster zelf mee grootgebracht. In die zin kunnen we de populisten trouwens als oude socialisten zien, die terug willen naar een sterke staat die herverdeelt ten gunste van de autochtone arbeidersklasse, terwijl ze niets willen weten van de nieuw-linkse standpunten zoals antiracisme, multiculturalisme, politieke correctheid, enz.

Het einde van de Amerikaanse zwakheid?

Indien de status quo omvergeworpen wordt, zal ook het huidige systeem van internationale betrekkingen volledig ineenstorten. Veel “experts” inzake buitenlands beleid, of ze nu tot de realistische, internationalistische, of neoconservatieve school behoren, zien Trumps ideeën als rampzalig voor de stabiliteit van het internationale systeem. Het probleem is evenwel dat dit internationale systeem gebaseerd is op westerse zwakte, en dat is precies de reden waarom er een nieuwe wereldorde voor in de plaats moet komen.

De “experts” zitten allemaal met het idee-fixe dat de Verenigde Staten allerlei internationale verplichtingen moet nakomen, en het is net die manier van buitenlandse politiek bedrijven waar Donald Trump komaf mee wilt maken: voor hem primeren de directe belangen van de Verenigde Staten, en daarin volgt een groot deel van de Amerikaanse bevolking hem. Zij hebben nooit begrepen waarom de VS niet van zijn vijanden zou mogen winnen, of waarom Amerika de verantwoordelijkheid heeft de democratie in de wereld te verspreiden. Op korte termijn zal de omverwerping van de internationale status quo misschien tot economische en sociale ontwrichting leiden, maar op lange termijn zullen we Trump waarschijnlijk dankbaar zijn dat hij de koe bij de horens gevat heeft.

Het hoeft uiteraard niet te verbazen dat men in veel landen verontwaardigd en angstig gereageerd heeft op de overwinning van Trump. Zeker sinds de Tweede Wereldoorlog zijn die landen er immers gewoon aan geraakt dat de elite in het Westen haar eigen belangen in zekere zin als ondergeschikt aan die van andere culturen beschouwt. Met Barack Obama maakten we de hoogmis van het antiwesterse, progressieve buitenlandbeleid mee. Wanneer mensen uit niet-westerse landen nu zeggen dat ze bang zijn voor een agressief Amerika onder leiding van Trump, bedoelen ze daarmee dat ze westerse concessies en subassertiviteit als hun recht beschouwen, dat ze zich nooit hebben kunnen voorstellen dat een westers land zo arrogant zou zijn om op zijn eigen rechten te staan. Met Trump als president lijkt het erop dat het voor de niet-westerse landen eindelijk gedaan is met de pret.

Rusland terug een derderangsmacht

De interessantste kwestie om de komende jaren in het oog te houden zal echter de relatie tussen Rusland en de VS zijn. Toenadering tot Rusland is een prioriteit voor Trump, en in gebieden zoals Oekraïne en Syrië, waar volgens de nieuwe president geen Amerikaanse belangen spelen, zal de VS wellicht toegevingen kunnen doen aan Rusland. Maar op de langere termijn zal het moeilijk zijn om Trumps “make America great again” te doen rijmen met de status van Rusland als grootmacht. Want aangezien Rusland economisch gezien slechts een derderangsmacht is, kan Rusland alleen maar een grootmacht blijven door een disproportioneel belangrijke rol op te eisen in veel delen van de wereld en door daarbij de legitieme rechten van andere volkeren te kunnen opzij schuiven, en dit is alleen mogelijk wanneer de VS zwak blijft. Indien in een ander deel van de wereld een dispuut zou ontstaan tussen Rusland en de VS, lijkt een confrontatie dus onvermijdelijk als Trump echt zijn belofte van herstel van Amerikaanse macht waar wilt maken.

Nikolaas de Jong, laatstejaars student geschiedenis, voorzitter Ayn Rand Campus Club Gent

Angelo M. Codevilla over het establishment:

https://spectator.org/39326_americas-ruling-class-and-perils-revolution/

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!