Er is behoefte aan een morele ambitie

Er is behoefte aan een morele ambitie

Dalrymple ziet een onzalig verbond tussen de linkerzijde en de liberalen van rechts. Niet de welvaartsstaat is zijn probleem, zoals zijn tegenstrevers hem proberen in de schoenen te schuiven, maar de pervertering daarvan die tot sociaal onverantwoordelijk gedag leidt.

Toen Anthony M. Daniels teksten begon te publiceren op basis van zijn dagelijkse ervaringen in de gevangenis en het ziekenhuis van Birmingham, koos hij naar eigen zeggen de naam Theodore Dalrymple omdat die naam lijkt “als van een oude man die uit het raam van zijn Londense club kijkt naar de gedegenereerde toestand van de wereld”. Wie zijn boeken leest, komt inderdaad veel ‘degeneratie’ tegen. Hij schrijft over drugs, alcoholisme, moreel en cultureel relativisme, misdaad, mishandeling, gebroken gezinnen, jongeren zonder enig doel in het leven, het failliet van het onderwijs en van de verzorgingsstaat … optimistisch word je er niet van.

Dalrymple heeft zijn eigen uitgesproken analyse: de verzorgingsstaat is mee verantwoordelijk voor “de toename van het kwaad”, maar er is meer voor nodig. “Het is niet alleen noodzakelijk om te geloven dat het economisch haalbaar is om je onverantwoordelijk en egoïstisch te gedragen (…), maar ook dat het moreel geoorloofd is. En deze idee is jarenlang door de intellectuele elite in Engeland aan de man gebracht.”, stelt hij in een andere essaybundel  Beschaving, of wat ervan over is. Hij ziet dan ook een onzalig verbond “tussen degenen ter linkerzijde die menen dat de mens wel rechten maar geen plichten heeft, en liberalen van rechts die menen dat keuzevrijheid van de consument het antwoord is op alle sociale vraagstukken.”

De link met Burke, de grondlegger van het intellectuele, politiek-filosofische conservatisme, is evident en daarmee is de toon meteen ook gezet. Dalrymple verzorgde de inleiding bij de Doorbraak-uitgave die nu eindelijk fragmenten van Edmund Burkes Reflections on the revolution in France (1790) vertaalt en bundelt, inmiddels meer dan 16 jaar na Dalrymples eigen Life at the Bottom: The Worldview That Makes the Underclass (vertaald 2004), het boek dat hem bekend maakte in Vlaanderen en Nederland.

Hoge bomen vangen veel wind. En Dalrymple vangt zeker wind. Van de intellectuele linkerzijde, die hem anekdotiek in plaats van systematische analyse verwijt alsook het negeren van machts- en andere structuren. Men ziet een gebrek aan oplossingen en vermoedt heimwee naar de caritatieve bijstand van de 19de eeuw in plaats van de hedendaagse voor iedereen toegankelijke sociale welvaartsstaat. Dalrymple zou ook blind zijn voor het feit dat net de vermarkting en vermunting van heel wat zaken – te wijten aan kapitalisme, neo-liberalisme, consumptiemaatschappij en instant-bevrediging – mee verantwoordelijk zijn voor de problemen die hij beschrijft. Tegenwind komt echter ook van andere conservatieven zoals de Vlaamse filosoof Herman De Dijn die zich niet in Dalrymples stellingen herkent en hem vooral een liberaal vindt in een conservatief kleedje.

Minder geweten is dat Dalrymple in verschillende werelddelen heeft gewoond en gewerkt. Momenteel woont hij vooral in Engeland (Bridgnorth, 12000 inwoners) en sinds 2005 ook een deel van het jaar in Frankrijk.  Hij kan daardoor Engeland vergelijken met andere landen en continenten, maar spaart ook Frankrijk niet met zijn scherpe blik. Hij reisde ook vaak door de VS, waar hij veel aandacht heeft voor ‘suburbia’, voor de architectuur, en houdt van steden als New Orleans, Chicago, San Francisco en Washington.

Zijn uitgesproken ervaringen met en meningen over Engelse achterstandsbuurten en passage in steden over de hele wereld maken hem een ideale gesprekspartner. Ik gooi Dalrymple de vaststelling voor de voeten dat de helft van de wereldbevolking in steden woont en dat de trek naar de stad enkel maar zal toenemen.

Wat vindt u daarvan?

“Wat ik daarvan vind maakt eigenlijk niet veel uit, want die evolutie is onvermijdelijk: zelfs indien ik het negatief zou vinden, zou ik er niks kunnen aan doen. Maar ik vind het zeker niet per se negatief. Ik stel me wel vaak de vraag waarom we er in de context van die bevolkingstoename niet in slagen aangename, mooie en leefbare steden te bouwen. Het centrum van Parijs, dat dateert uit de 19de eeuw, is wel zeer mooi. Maar veel gebouwen die erna zijn opgetrokken, vooral aan de grenzen van het stadscentrum, zijn afschuwelijk. Ik weet niet waarom het ondanks onze welvaart zo moeilijk is om onze steden architecturaal de moeite waard te maken, en dus ook leuker om te vertoeven. Maar ik geef toe, ik ken zelf het antwoord niet op die vraag. Ik weet wel dat vele gebouwen en buurten die ik zie lelijk respectievelijk onleefbaar zijn.”

Vraagt het succes van onze steden, en dus de bevolkingstoename, niet automatisch meer dichtheid en dus bouwen in de hoogte?

Ik ben voor verdichte steden met een grote bevolkingsdichtheid. Ik ben namelijk een fel voorstander van het openbaar vervoer. Openbaar vervoer subsidiëren is niet enkel in het voordeel van wie het gebruikt, maar van iedereen, want het leidt tot minder verkeer en files in onze steden. Vastzitten in het verkeer of geconfronteerd worden met de verkeersdrukte in steden vind ik echt ondraaglijk. Ik ben geen politicus of ideologische dogmaticus… het gaat me om levenskwaliteit, en dagelijks twee maal anderhalf uur in de file staan lijkt me daar niet toe bij te dragen. De oplossing is dus niet meer of betere wegen, maar meer openbaar vervoer.

En investeringen in openbaar vervoer zijn nu eenmaal een betere investering in dichtbevolkte steden. Maar ik ben niet zo zeker of in de hoogte bouwen zorgt voor meer dichtheid, omdat er dan toch veel nood is aan open ruimte rond die hoogbouw. Het centrum van Parijs is zeer dichtbevolkt, maar toch bouwt men er niet hoger dan maximum 8 verdiepingen.

Bij hoogbouw denk ik meteen aan Le Corbusier, die ik – zoals je vast weet - haat. Ik vind het een schande dat Le Corbusier nog zo populair is in Frankrijk. Hij is één van de meest verfoeilijke figuren van de 20ste eeuw, de Hitler van de architectuur. Hij haatte de spontaneïteit van het leven op straat. Terwijl net levendige straten de stad plezierig maken.

Ik heb zelf een klein appartement in Parijs, bouwjaar 1908. Het is een klein appartementsgebouw, mooi van de buitenkant, gemaakt op mensenmaat en daardoor comfortabel. De naam van de architect is zeer klein aangeduid in het gebouw. Zijn prestige was niet belangrijker dan het comfort van de bewoners of de uitstraling in de straat.

U schrijft ook over het verschil tussen Italiaanse steden en de “extreme kaalslag” in de Engelse steden: “Waar lelijkheid en onverschilligheid troef zijn, kan gedrag ook gemakkelijk lelijk en grof worden en gezamenlijke trots op de eigen stad doen verdwijnen.” Versterkt de architectuur van - onder meer de Engelse - steden het gedrag van de ‘onderklasse’ dat u zo uitgebreid beschreven hebt?

“Er is misschien wel een link maar ik kan niet zeggen wat eerst was: de kip of het ei. En ik wil het niet als oorzaak voor bepaald gedrag duiden. Je kan perfect een deugdzaam leven leiden in een moeilijke buurt, je hoéft geen boef te worden.

Maar de architectuur van een buurt geeft inwoners het gevoel dat ze slechts een anonieme eenheid zijn en geen individu dat de moeite waard is – en dus ook zichzelf en zijn sowieso lelijke buurt moet respecteren. Het lijkt samen te gaan.”

De stad wordt vaak gezien als de bakermat van ‘massificatie’ in sociologische zin, en als een plaats van anonimiteit. Is daar geen link met het wangedrag dat u beschrijft?

“Anonimiteit is niet per se slecht. Je hebt goede en slechte vormen van anonimiteit en van sociale controle. Ik woon in een kleine gemeente  waar mensen elkaar kennen en tegen elkaar praten. Anderzijds willen mensen altijd weten wat je doet en roddelen ze daarover. In kleine gemeenten is er wel sociale controle en daar hoort natuurlijk de bemoeienis en wat bekrompen sfeer bij die je je wel kan voorstellen.

Natuurlijk is er in een stad meer anonimiteit, maar zelfs in een grote stad waar de sfeer goed is, bestaat een soort minimale gemeenschapszin op wijkniveau, ken je de bakker, de horeca-uitbater, … en ben je dus geen anoniem individu. En ook dat heeft te maken met de architectuur van een buurt. Ik denk bijvoorbeeld aan Londen, dat mijns inziens bestaat uit verschillende dorpen met een eigen identiteit. Londen kent meer verscheidenheid dan Parijs.

Maar in sommige steden is het slecht gesteld met die cohesie, bijvoorbeeld omdat het centrum van de stad leeg staat. Dat is altijd een slecht voorteken. Buiten de centra, in de voorsteden, is er sowieso vaak weinig leven en dus weinig gemeenschapszin.

Daarom is het altijd goed om de centra van steden te herwaarderen, wat men nu bijvoorbeeld doet in Manchester en Birmingham. In Birmingham bouwt men op een slimme manier appartementen, en besteedt men veel aandacht aan het water. De stad bezit meer kanalen dan Venetië [De lengte van de kanalen binnen de stadsgrenzen bedraagt 60 kilometer, nvdr].

In de moeilijke buurten – ik denk dan aan de Franse banlieues - is het probleem met de sociale controle dat ze in handen is van de verkeerde personen. In de banlieues zie je wapens, drugs dealen, … en die boeven controleren ook de buurt. Je zou denken dat er een burgeroorlog bezig is want het is echt de strijd van de boeven tegen een fel bewapende politiemacht. Ik denk dat niks zo erg is als de banlieues, ook niet in Engeland waar dergelijke banlieues niet bestaan.

Anderzijds is de problematiek die ik beschrijf overal aanwezig in Engeland, ook in middelgrote en kleine steden. In elke stad zie ik welke de meest gebruikte drugs zijn: cocaïne, heroïne of amfetamines en andere stimulerende middelen. Het laatste zie je vaker in kleinere steden.

Het lijkt alsof Engeland niet die ‘sprawl’ heeft die u beschrijft in de VS, die neiging van steden om zich uit te spreiden over een grote oppervlakte.

Engeland kent zeker ook suburbanisatie, maar die is inderdaad veel minder dan in de VS of in België. Engeland kent nog echt platteland terwijl bijvoorbeeld Vlaanderen mij te klein lijkt om nog echt platteland te hebben.

Sydney  in Australië heeft wel een zeer extensieve suburbanisatie gekend. Het centrum van Sydney is zeer mooi, maar elke keer als ik de voorstad van meer dan 50 ten westen van de stad zie, wil ik zelfmoord plegen. Ik kom er dan ook zo weinig mogelijk. (lacht)

U wijt de problemen en het onverantwoord gedrag van de onderklasse enerzijds aan een doorgeschoten en bureaucratische sociale zekerheid, anderzijds aan het ‘morele verraad’ van de elite. Kan u dat laatste uitleggen?

“Laat me beginnen met een voorbeeld. Toen ik arts was in de gevangenis, spraken patiënten zeer plat: “I have a fuckin’ headache so give me some fuckin’ pills”. Ik vroeg hen het verschil tussen een gewone headache en een fuckin’ headache. Of ik zei: “here are some fuckin’ tablets, take ‘em every four fuckin’ hours and then come back. So now fuck off”. Ze waren verbaasd dat een dokter zo sprak. Ik antwoordde ook verbaasd te zijn dat om het even wie zo sprak. Dat drong door, hoewel ik geen officiële autoriteit of geen gezag over hen had. Het gaat dus vooral over voorbeeldfiguren in de directe omgeving.

Ik ben altijd verbaasd dat er in de directe omgeving van die patiënten niemand, ook geen leerkracht, zei dat je zo niet praat met elkaar. Er is veel lafheid bij mensen die een leidende rol hebben, om te zeggen wat goed is en wat niet. Omdat het maatschappelijk klimaat nu zo is dat je niet mag oordelen of veroordelen.

In hoeverre is dat typisch Brits en wanneer zou u het begin van die kwalijke evolutie?

Het is niet exclusief Brits. Het bestaat overal maar is wel pertinent aanwezig in Engeland [nvdr: in Leven aan de onderkant stelt Dalrymple dat 1/3 van Engeland een achterstandsbuurt is]. Waar het fout ging is zeer moeilijk te zeggen (lacht): er is niet zoiets als duidelijk beginpunt van de neergang.

De sociale welvaartsstaat zoals we die nu kennen werd uitgebouwd na de tweede wereldoorlog. Het idee was dat het systeem de personen zou helpen die het moeilijk hadden, zodat ook mensen zonder job nog steeds eten en een dak boven het hoofd zouden hebben. Een eerbaar initiatief. Maar het systeem is zo geëvolueerd dat er geen verband is tussen wat je doet en wat je krijgt. En dat was natuurlijk nooit de bedoeling. Eens je inzet en verdienste loskoppelt krijg je problemen.

Moet je het systeem dan aanpassen of afschaffen?

Het systeem in Scandinavië zal niet toelaten dat je iets krijgt zonder iets te doen. En in Zwitserland al helemaal niet.

Elke hervorming is aartsmoeilijk, ook omdat het niet zo duidelijk is wie nu het meest profiteert van het systeem: de uitkeringstrekker of de personen die werken in het systeem (lacht).

Een tijd geleden was er een reeks op de Channel 4, Benefits Street, over een straat – vlakbij waar ik nog gewerkt heb trouwens – waar quasi allemaal personen leefden van verschillende gecombineerde uitkeringen, bovenop wat kleinere illegale activiteit. Ze waren wel zeer creatief en ondernemend, zij het uiteraard op de foute manier. Kortom: dom waren ze niet maar wel rationele wezens die het systeem gebruikten voor zover het hen goed uitkwam.

Men zou, denk ik, moeten komen tot een veel voorwaardelijker systeem, waarbij je durft te oordelen over welk gedrag toelaatbaar is en welk gedrag niet, en welke gevolgen dat heeft voor uitkeringen. Anders krijg je een race tot the bottom in menselijk gedrag.

Welk gedrag?

Alcoholisme en drugsverslaving bijvoorbeeld. Ik vind ook dat gezinnen te snel uit elkaar gaan, dus samen blijven zou meer aangemoedigd moeten worden. Tegenwoordig durft niemand nog te oordelen over gedrag, laat staan het te veroordelen. Er is geen morele ambitie meer, en daarvan is de onderklasse het slachtoffer.

U beschrijft schrijnende toestanden over hoe kinderen opgroeien in arme, dysfunctionele gezinnen, generatie na generatie. Zou de overheid sneller moeten interveniëren?

Neen, want dat is slechts symptoombestrijding. De problematische patronen binnen gezinnen, ik zou ze trouwens eerder ‘huishoudens’ dan ‘gezinnen’ noemen, leiden tot sociale pathologieën. Uit enquêtes blijkt dat Britse kinderen de minst gelukkige zijn van West-Europa. Eerst werd een moreel klimaat geïnstalleerd dat leidt tot de miserie in vele gezinnen, en daarbovenop komt dan nog eens een bureaucratie van allerlei instanties om dat zogenaamd te verhelpen. Of althans proberen te verhelpen. Dus eigenlijk loop je als overheid en maatschappij achter die feiten aan.

Je kan helaas het verleden niet herstellen, maar enkel naar de toekomst kijken. Door het systeem geleidelijk te veranderen én door terug sterkere signalen te geven over wat ‘normaal’ is, over wat kan en niet kan.

Het lijkt er nu toch dat de slinger terug de richting op gaat van meer fatsoen en duidelijke regels.

“Tja, misschien zijn de personen die er om vragen niet de personen die het nodig hebben (lacht). Kijk, Burke zei dat hoe minder inwendige controle personen mensen hebben, hoe meer externe controle er nodig is: “Society cannot exist, unless a controlling power upon will and appetite be placed somewhere; and the less of it there is within, the more there must be without”. Met andere woorden: hoe minder spontaan besef van wat kan en wat niet, hoe meer regels, wat uiteindelijk uitmondt in autoritarisme. Dat zie je nu inderdaad.

Als je mensen aanmaant, bijvoorbeeld voor zeer luidruchtig gedrag, zullen mensen snel antwoorden “dat is niet tegen de wet”. Alsof enkel de wet de enige richtlijn van gedrag is.

Welke rol speelt zelfbeheersing in uw analyses?

In Engeland is er een cultuur ontstaan waarbij zelfbeheersing teloor is gegaan, en dat staat los van migratie of migranten. Recent was er veel te doen over prins Harry die zijn gevoelens tentoonspreidde over het overlijden van zijn moeder toen hij nog jong was. Die ontboezeming was zo banaal en kreeg toch veel lof. Onzin vond ik het: uiteraard had hij het moeilijk, het tegendeel zou verbazen, maar welke meerwaarde biedt zo’n getuigenis?

Wat meespeelt is de manier waarop de midden- en hogere klasse kijkt naar de onderklasse als ‘spontaner’ en ‘authentieker’. Ik verwijs naar tatoeages: ik schat dat momenteel één derde van de Britse mannen een tattoo heeft, en ik stel al lang vast dat het iets is dat je steeds meer ziet opwaarts de sociale ladder. Onder meer omdat men het deed als een blijk van sympathie met de onderklasse. Hetzelfde geldt voor taal en dialect. Voorheen leerden lagere klassen het upper class Engels spreken – kijk naar Thatcher. Terwijl Blair van betere komaf was als Thatcher, maar lower class Engels ging spreken. Dat zegt iets over de evolutie in het tijdperk tussen die twee politici.

Over één element hebben we het nog niet gehad: immigratie. Heeft migratie onze steden veranderd? Maar ook= heeft immigratie ons eigen waardenkader veranderd?

Het hangt ervan af over welke migratie je het hebt. Ik vind niet dat je bijvoorbeeld Poolse immigratie kan vergelijken met die uit pakweg Albanië of andere gebieden. En het is uitermate problematisch indien een minderheid zo sterk is dat zij een getto wordt in een bepaald stadsdeel.

Wat de islam betreft vond ik het boek Soumission van Houellebecq zeer boeiend, omdat hij duidelijk maakt dat het probleem niet zozeer bij de moslims ligt, maar vooral bij onszelf.

Dat brengt ons bij het ruimere verhaal: in termen van identiteitspolitiek zijn er veel verschillen tussen Frankrijk en Engeland. In Frankrijk is er geen officiële doctrine van multiculturalisme, met allerlei uitzonderingen voor religieuze of culturele minderheden. Dat is goed. Maar de facto is er segregatie door het woonbeleid en de banlieues, en door de zeer rigide arbeidsmarktregels, waardoor allochtonen en andere kansengroepen weinig kansen krijgen op de arbeidsmarkt.

In Engeland is de arbeidsmarkt veel flexibeler, en dat is goed. Daardoor krijgen nieuwkomers sneller kansen, soms wel in slecht verdienende baantjes. Maar … Engeland kent wel een politiek van multiculturalisme en cultuurrelativisme. In bibliotheken zijn er tafels enkel voor vrouwen – voor moslimvrouwen dus. Er is een specifiek probleem met moslims dat we niet kennen met sikhs, of met Chinezen. Birmingham is zeer gekleurd, maar ook daar is het niet zo problematisch als in de Franse banlieues, omdat er in elke buurt restaurantjes zijn waar inwoners van andere stadsdelen komen. Je weet natuurlijk nooit wat de toekomst brengt gezien de demografische evolutie in onze steden.

Vanwaar komt dan die Engelse politiek van multiculturalisme?

Om te beginnen hebben wij een traditie van een terughoudende overheid, die zich niet te veel bemoeit met de privé sfeer, dus ook niet met wat mensen dragen of eten. Ik vind dat ook prima. Maar daardoor tolereer je wel bijvoorbeeld boerka’s, en dergelijke meer. Dus ook uitingen van een geloof die misschien je tolerante maatschappij verwerpt.

En onder het mom van pragmatisme kennen we inderdaad een officiële politiek van multiculturalisme of “political accommodation of ethnic diversity”. Toen de sikhs arriveerden [wat teruggaat tot 1850, nvdr] bleek na een tijd dat hun tulband  een probleem was in combinatie met het politie-uniform of dat van gevangeniscipier. Dus konden zij die dragen en werd de tulband geïntegreerd de rest van het uniform. Dat ging uit van een zeker pragmatisme, ze mochten zelfs hun traditionele messen dragen want iedereen wist dat dit traditie was en geen enkele bedreiging vormde. Ik heb daar geen probleem mee, maar was wel het begin van privileges. Het probleem is dat je geen onderscheid mag maken tussen bevolkingsgroepen. Met andere woorden: eens ons systeem politiek gangbaar was, gingen ook andere religies er zich op beroepen omdat het principe zogenaamd universeel moet zijn. Maar de sikhs zijn niet zo bekeerzuchtig als andere bevolkingsgroepen.

Opmerkelijk is dat u, naar aanleiding van een case over een school in Bradford, pleit voor een soort van sociale mix, tenminste in scholen.

Ik ben niet zo voor het dwingen of aansturen van mensen. In de VS stuurden ze leerlingen met de bus naar andere scholen om sociale mix te bewerkstelligen, maar dat is toch ook niet helemaal gelukt (lacht). Anderzijds zijn getto-scholen natuurlijk ook geen goed idee.

Alleszins is het belangrijk dat in elke school het verplichte curriculum gegeven wordt. Dat gebeurt niet in elke school met veel moslims, weet ik uit ervaring. Er is ook het probleem van – meestal Pakistaanse - ouders die hun dochters verhinderen om naar het leerplichtonderwijs te gaan.  

In de schoolproblematiek lijken de aantallen en verhoudingen mij essentieel om de atmosfeer van een Engelse of West-Europese school uit te ademen.

In onze steden zijn er wel degelijk scholen met 80% personen van buitenlandse herkomst.

Dat lijkt me vooral een argument voor zeer strenge scholen met duidelijke regels, waarbij geen millimeter wordt afgeweken van leerplannen en dergelijke meer. Als ouders daar een probleem mee hebben, dan moeten ze maar een ander land gaan. Maar het vraagt veel moed van overheden en directies om dat te zeggen en er ook naar te handelen. En ik ben ervan overtuigd dat de ouders niet naar een ander land zullen gaan maar het zullen accepteren.

Wat vindt u van de analyse dat Brexit, Trump, Le Pen… de kloof bloot legt tussen de winnaars en de verliezers van de globalisering? En daarbij aansluitend: is er een soort stedelijke, links-liberale, politiek-correcte elite tegenover het volk?

Om te beginnen heb ik het niet zo voor simpele opdelingen van bevolkingsgroepen. Aan welke kant staat een goed boerende zelfstandige loodgieter in die analyse?

Maar er heerst inderdaad een breed gevoel dat er een politiek en intellectuele elite is ontstaan die de dagdagelijkse bekommernissen van veel mensen niet meer kent. Dat Hillary Clinton meer aandacht besteedde aan de signalisatie van transgendertoiletten dan aan de economische problemen van een groot deel van de VS, zal haar niet geholpen hebben bij de Amerikaanse verkiezingen. Ik geloof overigens niet dat Trump iets zal doen aan de problemen van die mensen, maar hij erkende tenminste het bestaan van die mensen en hun zorgen.

Zal de verdergaande globalisering ongelijkheid vergroten, en dus ook de toestanden die u beschrijft?

Zolang ik leef heb ik mensen horen zeggen dat er steeds minder jobs zullen zijn, dus ik neem dat met een korrel zout. Zeker omdat bijvoorbeeld het VK en Duitsland een zeer lage werkloosheidsgraad hebben.

Maar de mensen die u beschrijft zijn net wel werkloos

Ze zijn niet alleen ‘unemployed, maar ook ‘unemployable’. We importeren in de VK nog steeds arbeid, niet omdat buitenlandse werknemers goedkoper zijn, maar vooral omdat ze harder werken, flexibeler zijn, en soms beter opgeleid zijn en beter Engels spreken dan sommige native English sprekers.

Het probleem is ook dat net door een dure sociale zekerheid arbeid zwaar belast wordt en duur is. Daardoor worden bepaalde jobs gewoonweg uit de markt geduwd en is het inkomensverschil tussen werken en niet-werken is zeer klein. Tenslotte is er ook een rigide woningmarkt, met een systeem van sociale huisvesting dat mensen in hun woning houdt en verhindert dat ze zouden verhuizen zelfs als dat om redenen van werkgelegenheid een goed idee zou zijn.

Slotvraagje: u hebt zeer veel gereisd. Welke steden zijn fijn om te wonen of vertoeven?

De bekende steden denk ik: het centrum van Parijs, Sydney, Madrid, Lissabon. Cartagena is ook wonderbaarlijk. Buenos Aires zou ik fijn vinden. Ik zou in Calcutta kunnen wonen … ik ben er de laatste 40 jaar vaak geweest en heb het zien veranderen en verbeteren. Het is er wel moeilijk omdat je er moeilijk alleen kan rondlopen. Allemaal levendige steden op hun eigen manier, want een boeiend stadsleven is meer dan enkel een ‘mooie stad’ maar ook de sociale cultuur. Londen is fijn, maar je moet zeer rijk zijn om er te wonen. In Engeland houd ik van kleinere steden zoals Norwich – dat de 2de grootste stad was in Engeland tot de 16de eeuw.

De lectuur van Dalrymple leidt tot een slotbeschouwing. Zelf schrijft Dalrymple over Burkes ‘Reflections’ dat het een “onvolmaakt boek [is], en de stijl ervan is nu eens langdradig, dan weer aforistisch. De inzichten die het de lezer biedt, komen veeleer in gespreide orde voor dan geconcentreerd. Ook heeft het boek sterk opvallende gebreken, zoals de overschatting van de perfectie van het Britse stelsel zoals het toen was, en het gemis aan echte bekommernis om wat Burke op een bepaald moment een zwijnachtige massa noemde”. Schrijft Dalrymple nu over Burke of over zichzelf?

Lieven De Rouck, filosoof van opleiding, Brusselaar en woordvoerder N-VA in het Vlaams Parlement

Franse Revolutie en Engelse Traditie. Edmund Burke als voorspeller van terreur, ingeleid door Theodore Dalrymple, verscheen bij Doorbraak boeken.

Dit interview werd afgenomen op 12 mei 2017 en verscheen eerder in het meinummer (nr. 227) van het maandblad van de links-nationalistische denk- en actiegroep Meervoud en op de blog lievenbrusselt.

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!