Echte literatuur mag niet mooi meer zijn

Echte literatuur mag niet mooi meer zijn

Dankzij de Nobelprijs Literatuur voor Bob Dylan, geven de cultuurpausen zich bloot: ze willen de jeugd een afkeer van literatuur bezorgen. Voor hen telt slechts het snobisme van beroepsintellectuelen.

“Literatuur,” zo lees ik in van Dale, “is het geheel van de schriftelijke overlevering van een volk of een tijd.” Daar zijn onze cultuurpausen het blijkbaar niet mee eens. Voor hen is literatuur wat zij beweren dat literatuur is. Met een hardnekkigheid die doet denken aan de Index van de Verboden Boeken indertijd, veroordelen zij de Nobelprijs voor Bob Dylan. Zij zijn fans van Dylan, zo beweren ze vaak, “maar dat is toch geen literatuur.” Op Canvas kwam een aarzelende literatuurprof de woorden aanhalen van Subterranean Homesick Blues (1965):

“Oh, get born, keep warm
Short pants, romance
Learn to dance, get dressed
Get blessed, try to be a success
Please her, please him, buy gifts
Don't steal, don't lift
20 years of schooling and they put you on the day shift

Look out kid, they keep it all hid
Better jump down a manhole, light yourself a candle

Don't wear sandals - you can't afford the scandal
Don't want to be a bum: you better chew gum

The pump don't work because the vandals took the handle.”

“Dat is rijmelarij,” zegt de prof. Je kunt je afvragen wat hij daarvan zou zeggen als dit rijm toegeschreven werd aan één van de gecanoniseerde surrealistische dichters uit het interbellum als Paul Eluard, André Breton, Guillaume Apollinaire – ik pluk er maar een paar van het internet. Of, dichter bij huis, uit mijn persoonlijke bibliotheek, aan de volgens mij goddelijke Paul van Ostaijen:

“Tulpebollen bolle tulpen tulpetuilen
Rozetuilen
Boererozen boerewangen boerelongen
Boerelongen ballen bekkens

Ballen bolle bekkens
Bugel en basson-o hop!

Wie heeft er de kleine bugel gezien
W
ie heeft er de grote bugel gezien
En wie Gaston met zijne basson Marieke-Katelijne Marie Katerien

Want dit is geen pavane of geen sarabande meer
Dit is geen gigue of geen allemande meer
En geen wals
Dat is ‘nen charleston
‘nen boerencharleston
Van Gaston op zijnen basson.”

Te veel apenstreken onderweg

Komt daarbij dat ik op Wikipedia lees dat Dylan zich voor dit nummer niet slechts geïnspireerd had op Chuck Berry’s Too much monkey business (volgens mij ook een literair talent – denk maar aan dat unieke miniatuurverhaaltje, Johnny B. Goode, 1958). Maar ook op Jack Kerouac, de auteur van de eerste beatnikroman, On the Road (1957), een iconisch verhaal waar de literati hoog mee oplopen. Dat wist ik natuurlijk niet toen ik het nummer als vijftienjarige op mijn transistortje voor het eerst hoorde. Het was of ik een slag met de hamer kreeg: de rustige folksinger die een wereldhit gescoord had met het akoestische en idealistische Blowin’ in the Wind (1963) die plots zijn eigen fans voor het hoofd stootte en elektronische rock maakte.

Maar dat was de kern niet eens: de protestzanger van de apocalyps liet de woorden over elkaar tuimelen op een infernaal ritme dat rebelser inging tegen de gevestigde orde dan welke tekst ooit doen kon. Ik kon de woorden amper herkennen, maar als ik nu het gewraakte tekstgedeelte lees, dan zie ik dat die zogezegd rijmelende rijmwoorden precies dat weergeven wat de muziek intuïtief liet aanvoelen: afkeer van het keurslijf waarin de maatschappij je toen dwong – 20 years of schooling and they put you on the day shift. Het gevoelen van Provo-Amsterdam; de aanloop tot de hippierevolte die twee jaren later uitbreken zou in San Francisco (1967); de verwoording van het onbestemde onlustgevoelen van de naoorlogse generatie, dat James Dean al gespeeld had in Rebel without a cause (1955).

Keren we terug naar de definitie van van Dale: “Literatuur is het geheel van de schriftelijke overlevering van een volk of een tijd.” Als er iets van Dylan kan gezegd worden, dan wel dat hij al meer dan vijftig jaar lang een spreekbuis is van onze tijd, niet slechts van een volk, maar van geheel de westerse of door het Westen beïnvloede generatie waar hij toe behoort. En dit zonder ooit toe te geven aan, of zich te laten inlijven door een modetrend. Tot ontsteltenis weer van vele fans, bekende hij zich ooit tot het christendom. De gesofistikeerde Zimmerman zong country & western, de held van de Vietnamprotesten trad op samen met de redneck-kampioen Johnny Cash. Met de ‘stille Beatle’ George Harrison en de zeemzoete Roy Orbison vormde hij de Travellin’ Willbury’s om roadsongs te brengen. Vandaag zingt hij covers van Sinatra.

Nooit eerder schudde een zanger een generatie (en eigenlijk meerdere generaties) zo stevig en zo vaak door elkaar als Dylan. Eigenlijk moet je hem in een lijn plaatsen met Homeros, Shakespeare, Dostojevski: de Griekse rapsode bracht epische verhalen samen voor ruwe krijgers in Laat-Dorische burchten waar hij voor vermaak zorgde na het avondmaal. De Engelse bard schiep onsterfelijke rolmodellen voor de burger en de landman, op basis van verhalen die breed circuleerden en ook zonder hem al populair waren. En de getormenteerde Russische verteller schreef, net als Charles Dickens, zijn grote romans in afleveringen voor stuivertjeskranten.

Gekunsteld geknutsel voor snobs

“Oneerlijk,” zo kwam nochtans een Nederlands-Egyptische jongedame (die vindt dat zij een man is) decreteren over de Nobelprijs voor Dylan in De Afspraak. Zij wist het. Om Bob Dylan te mogen beoordelen moet je volgens haar alle zangers die de emoties van hun volk uitdrukken in de hele wereld in de rekening betrekken, Arabische, Chinese en wat weet ik meer. Tja. Dat is weer dat eeuwig verwijt dat de Nobelprijs euro- of occidentocentrisch zou zijn. Als ik de lijst van winnaars van de afgelopen dertig jaar overloop, dan kom ik daar een Arabier, een Japanner, een Turk en twee Chinezen tegen. Een minderheid? Inderdaad, maar de prijs is nu eenmaal in Europa ontstaan en wordt uitgereikt door een Noors comité. Kan je het dit comité kwalijk nemen dat het best de eigen traditie kent? Kan je het ook kwalijk nemen dat zijn traditie nu eenmaal het sterkst doordringt in geheel de wereld? Bovendien, waar het Dylan betreft: is er ooit een auteur in dat Westen geweest die scherpere kritiek op grotere schaal verspreid heeft op die eigen traditie, terwijl hij steviger dan wie ook literair geworteld stond in die traditie?

Bekijken we even het criterium dat de stichter Alfred Nobel bij de creatie heeft bepaald: “Het meest opmerkelijke werk met een idealistische trend.” Is er één auteur ter wereld op wie deze kwalificatie beter past dan op Dylan? Maar nee, het comité heeft het mis, zo beweren Kristien Hemmerechts en Dimitri Verhulst. Het heeft zich al zo vaak mispakt, James Joyce heeft de prijs nooit gekregen, zo min als Jorge Luis Borges, zo zingt die laatste een al heel oud liedje. Waar de idealistische trend bij Joyce of Borges te vinden is, vraag ik me ook af. Maar kom.

Verhulsts criterium kan vertaald worden als: “Het meest opmerkelijke werk dat niet gelezen werd’. Borges kan er nog mee door (al hou ik niet van zijn cerebraal proza, maar dat is een persoonlijke smaak), maar Joyce? Eerlijk: ik heb zijn twee belangrijkste werken in huis, Ulysses en Portrait of the Poet as a Young Man. In het eerste ben ik ongeveer dertig bladzijden ver geraakt, het tweede heb ik na ongeveer tien bladzijden met een grauw van mij weggegooid. Gekunsteld geprutst, tot cultboeken uitgeroepen door een elitaire gemeenschap van bohémiens in de bruine kroegen van de Parijse Rive Gauche; en vervolgens bejubeld door kleinburgerlijke cultuursnobs die ook graag bohémien zouden zijn (of rock & rollers), maar toch graag hun maandelijkse cheque ontvangen van mensen die put them on the day shift. Met draken als gevolg als Het Boek Alpha van Ivo Michiels bij ons. Generaties lang verplichte lectuur op middelbare scholen, met als resultaat: jongeren massaal een afkeer bezorgen van literatuur. Boeken gecreëerd ter ontlezing.

Een vriend zegt mij dat ik wat te streng ben: hij heeft genoten van Portrait of the Poet en vond in Ulysses een unieke passage, zo wat het geestigste dat hij ooit gelezen had (De Cycloop). Tja, ik beloof eerlijk: ik zal het toch nog eens proberen. Maar één passage in een voor de rest onleesbaar boek? Tegenover een man die de mooie teksten uit zijn mouw schudt zoals Peter Sagan wielerwedstrijden wint. Hoe hard moet je werken om te mogen genieten van mooie teksten? Hoe groot was de kans dat Homeros met stokslagen uit de burcht was verjaagd, als hij de criteria van onze cultuurpausen had gehuldigd? Dat Shakespeare met pek en veren bedekt uit het dorp was verdreven waar hij nu voor volksvermaak zorgde? Dat Dostojevski en Dickens geen publiek hadden bereikt, zodat wij ze zelfs nooit hadden gekend?

Het ergste is indertijd voorkomen

Overigens kan Verhulst niet klagen, want ook het Nobelprijscomité is niet vies van snobisme. Enkele jaren geleden kwam mijn zoon thuis met een boek waar hij een paper over moest maken, Hartedier van Herta Müller die in 2009 de prijs kreeg omdat ze “met poëtische verdichting en prozaïsche zakelijkheid het landschap van de ontheemden optekent.” Toen mijn zoon stelde dat hij baalde van het boek, begon ik eraan, argeloos en vol goede wil, om zijn ongelijk te bewijzen en hem op het rechte pad te leiden. Ik heb het zelfs uitgelezen. Het ging over het regime van Ceaucescu in Roemenië. Ik hoopte er iets wijzer in te worden over hoe dit regime functioneerde (prozaïsche zakelijkheid, weet je wel). Maar ik botste op die poëtische verdichting. Ik heb het boek uitgelezen en dan tegen mijn zoon gezegd dat hij gelijk had. Hij is dat vervolgens tegen zijn leraar gaan zeggen. Die gaf aarzelend toe dat hij er eigenlijk ook zo over dacht.

De pest voor de literatuur in het algemeen en kunst in het bijzonder, is dat zij in handen is van de cultuurpausen. Ik ontmoette enkele jaren geleden nog eens zulk een ‘literatuurkenner’. Ik vertelde hem dat ik sterk onder de indruk was van de vierdelige verhalencyclus van Anatoli Rybakov, Kinderen van de Arbat, over de Stalinperiode. In mijn ogen een magistraal epos, in de traditie van Tolstoi’s Oorlog en Vrede. Hij haalde zijn neus op: “Ik heb me daar ook mee geamuseerd,” wilde hij me toestaan. “Maar dat is toch geen literatuur.” Tja, voor hen mag iets niet mooi of leuk zijn, Ware Kunst moet walg opwekken. Ongeveer als dat boekje van Dimitri Verhulst dat ik ooit gratis bij mijn Humo kreeg, Godverdomse dagen op een godverdomse bol (2008). Zelfs dat ben ik argeloos en vol goede wil begonnen, en ik heb me ongeveer veertig bladzijden ver geworsteld. Sindsdien heb ik geen zin meer om wat dan ook van die man te lezen, al beweert een vriendin bij hoog en bij laag dat ik fout ben, dat die auteur fameus is. Spijtig, ik zal wel ongelijk hebben, maar ik heb geen zin meer.

Alleszins ben ik het Nobelprijscomité dankbaar omdat het aan één groot boerenbedrog niet heeft meegewerkt: de jarenlang bij ons op radio en tv, in kranten en tijdschriften aangekondigde bekroning van Hugo Claus. Ik walgde van die auteur sinds ik als scholier ooit zijn debuutroman in handen kreeg, De Metsiers (1950). Ik ben daarna nog verschillende keren gehoorzaam geweest en aan verschillende van zijn romans begonnen. Om telkens na enkele tientallen bladzijden af te haken. Mijn laatste poging was toen ik overal hoorde dat Het Verdriet van België een meesterwerk was. Uit puur schuldgevoelen ben ik eraan begonnen. Na ongeveer zeventig bladzijden heb ik het opgegeven: barokke taalvirtuositeit, die nergens over ging.

Koketteren met andermans trouvaille

Overigens las ik in die periode verschillende interviews van Claus. Hij provoceerde daarin telkens met het verhaal dat hij van niertjes hield, maar dan moest je de pis er nog in proeven. Jaren later ontdekte ik dat dit een letterlijke uitspraak was uit Ulysses, ik dacht van Leopold Bloom. Koketteren met andermans trouvaille heet dat. Zelf blijf ik van pretentieloze eenvoud houden, zonder pis. Dat kan volgens de ‘kenners’ geen literatuur zijn wegens te toegankelijk.

“When the winds will stop
And the breeze will cease to be breathing
Like the stillness in the wind
Before the hurricane begins

The hour that the ship comes in
Oh the seas will split
And the ship will hit
And the sands on the shoreline will be shaking

Then the tide will sound
And the waves will pound
And the morning will be breaking

Oh the fishes will laugh
As they swim out of the path
And the seagulls they’ll be smiling

And the rocks on the sand
Will proudly stand
The hour that the ship comes in

And the words that are used
For to get the ship confused
Will not be understood as they’re spoken
For the chains of the sea
Will have busted in the night
And will be buried at the bottom of the ocean.”

Of nog een staaltje van die sublieme eenvoud:

“Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee

Langs het hoogriet
Langs de laagwei
Schuift de kano naar zee
Schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man

Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee.”

Toch te mooi om literatuur te zijn

Dat laatste is natuurlijk weer van Paul van Ostaijen. Ik geef het toe: te verdacht mooi, met te simpele woorden en klanken. Dus toch geen literatuur? Maar onze proffen doceren er toch over. Ach, er bestaan twee maten en twee gewichten, maar als de hoogste literaire autoriteit ter wereld iets tot literatuur verklaart waar de cultuursnobs geen greep op krijgen, dan veradem ik. De wereld is niet helemaal verloren. Misschien nog deze verwittiging aan de cultuurpausen vanwege de man die ze allemaal een neus heeft gezet?

“Gentlemen, he said I don't need your organization, I've shined your shoes
I've moved your mountains and marked your cards
But Eden is burning either brace yourself for elimination
Or else your hearts must have the courage for the changing of the guards.”

Ondanks alles:The times still are a changin’.

Eddy Daniels

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!