Doorgeslagen regelzucht (blog)

Doorgeslagen regelzucht (blog)

Het begon allemaal so NICE, nu wordt het horror. Dit is niet de titel van een langlopende musical in Queens Theatre langs Shaftsbury Avenue maar het acroniem van het National Institute for Health and Care Excellence van de Engelse gezondheidsdienst, een instelling die niet toevallig door Tony Blair in 1999 werd opgericht en uitgegroeid tot een log monster met duizenden ambtenaren die dagelijks regel en regeltjes verzonnen die eens ze op papier gezet zijn als in steen gebeiteld staan.

Het is niet toevallig dat het toenmalige paars-groene kabinet NICE gelijk omarmd heeft en zonder meer van toepassing maakte op de Belgische gezondheidszorg. NICE pretendeert gouden gedragsregels uit te schrijven, in werkelijkheid zien die er meer uit dan verroeste prikkeldraad rond een paardenweide.  En niet tot beter welzijn van de mensheid heeft deze soms wereldvreemde instelling in mei 2008 de ambitie genomen om als internationaal referentiecentrum op te treden. Toch kan het anders. Dat bewijst Santeon.

Waarom hecht de ene chirurg met nylon draad en de ander met catgut?  Waarom krijgt u als u pijn hebt eerst aspirine en pas daarna een zwaardere pijnstiller? Waarom doet u zus en niet zo? Omdat dit nu eenmaal past volgens het zorgtraject dat NICE uitgelegd heeft. Ik schreef ooit: treinen rijden langs trajecten, mensen gaan hun weg. Niet volgens NICE.

En ik ben niet de enige die dat zo ziet.  Artsen moeten meer van elkaar leren. En dat geldt ook voor ziekenhuizen. En al die lessen en inzichten moeten niet enkele binnen het eigen netwerk maar met de hele buitenwereld gedeeld worden. Dat klinkt misschien voor de hand liggend, maar dat is het niet.  

Douwe Biesma (1962, Groningen) is internist en geeft sinds 2010 leiding aan het St. Antonius Ziekenhuis en is sinds 2007 als hoogleraar verbonden aan de Universiteit Utrecht: "De medische sector is heel lang gesloten geweest", zegt Biesma een tijdje geleden in de NRC. "En dat moet veranderen."  In zijn ogen is er te weinig aandacht voor de kwaliteit van zorg, en voor het meten van de uitkomsten ervan. Dat betekent niet méér meten. Biesma stoort zich juist aan de ‘doorgeslagen regelzucht'.

"We hebben een oerwoud aan medische indicatoren. Die moeten we allemaal vastleggen. Iedereen registreert zich wild, maar we doen er geen jota mee. De inspectie, het ministerie, de zorgverzekeraars en wij, de medici zelf, houden elkaar gevangen in regelfetisjisme. Het is idioot wat we allemaal, ook van de eigen beroepsvereniging, moeten registreren." Die dataverzameling kan veel beter en effectiever, meent Biesma. Daartoe hebben zeven ziekenhuizen in Nederland een ambitieus project opgezet. Onder de vlag van Santeon werken zij steeds intensiever samen met als doel de kwaliteit van de zorg te verbeteren. En om dat te realiseren moet je bij de patiënt de uitkomsten meten, zo vinden ze bij Santeon, waarvan Biesma sinds 1 januari de voorzitter is. De Santeon-ziekenhuizen  ontwikkelen samen met patiënten drie tot zes indicatoren per aandoening.

"Welke parameters doen er echt toe", vraagt Biesma retorisch. Waarom zou je bij verloskunde cijfers over doorliggen verzamelen? Die zijn weinig relevant voor patiënten die snel komen en snel gaan. Als voorbeeld noemt hij een operatie bij borstkanker. Om het succes van zo'n chirurgische ingreep te meten, is van belang of er tumorweefsel is achtergebleven. Daartoe kijken de artsen naar de zogeheten tumorpositieve snijvlakken. "Je hoeft het aantal heroperaties niet te registreren als je ook al tumorpositieve snijvlakken registreert", legt Biesma uit. "Want de aanwezigheid van tumorweefsel bij de snijvlakken betekent heel vaak een heroperatie. Kortom, om het succes van zo'n ingreep te meten hoef je niet én het aantal hersteloperaties te tellen én het aantal tumorpositieve snijvlakken. Het laatste alleen is doeltreffend genoeg."

Biesma stampt tegen nog zo'n heilig huisje: hij is het niet eens met de stelling die ook minister De Block aanhangt die zo maar zegt dat ziekenhuizen jaarlijks minimaal een bepaald aantal operaties moeten doen om voldoende ervaring te houden. „Het uitgangspunt is goed. De expertise van een operateur is direct gecorreleerd met het aantal ingrepen dat hij doet. Patiënten zijn geen hobby-horses van de medicus. Maar dan moet je wel op het niveau van de operateur meten en niet op het niveau van het ziekenhuis. Die discussie is heel bedreigend voor veel medici." Daar hebben de praktische Hollanders een oplossing voor gevonden: een bruggetje, zeg maar. In Nederland gaan academische en kleine perifere ziekenhuizen steeds intensiever samenwerken om zo de aantallen voor bepaalde operaties te halen. Dat vindt Biesma absurd.

Een paar jaar geleden zijn ze bij Santeon begonnen van een aantal soorten kanker de belangrijkste parameters te kiezen en met elkaar te delen. Juist dat onderlinge vergelijken is cruciaal voor de vooruitgang, zegt Biesma.

Biesma's eigen St. Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein is een zogeheten topklinisch ziekenhuis dat een bovenregionale functie heeft voor hart- en longaandoeningen en is ook belangrijk als opleidingsplaats voor medisch specialisten. In plaats van zoveel mogelijk periferie naar zich toe te trekken en zo een ring rond Saturnus te bouwen, werkt het ziekenhuis nu nauw samen zes andere topklinische ziekenhuizen, waaronder het OLVG en het Groningse Martini. Douwe Biesma is sinds begin dit jaar voorzitter van dit samenwerkingsverband dat onder de naam Santeon opereert.

De professionals komen bijeen en bevragen elkaar. Hoe kom jij tot andere scores? Ze kijken met elkaar mee. "Wij creëren peer pressure. We zitten met elkaar en met patiënten aan tafel en dan zie je dat bij de ene afdeling net wat beter dan bij de ander wordt geopereerd. Maar wacht even, dat wil die arts zelf ook wel weten, want niemand wil het slechtste jongetje van de klas zijn! En dat doen we nu met zeven ziekenhuizen. Dat is bijzonder. Er komt weer elan terug. We kijken naar een beperkte set uitkomsten die er echt toe doen voor de patiënt en gaan actief op zoek naar verbeteringen in de uitkomsten en de zorg voor de patiënt."

Door die belangrijkste uitkomsten met elkaar te vergelijken brengen de Santeon-ziekenhuizen de onderlinge verschillen in aanpak en uitkomsten terug. En dat is goed, volgens Biesma. „Veel variatie in behandelmethoden is niet per definitie slecht. Er leiden meer wegen naar Rome, maar soms spelen persoonlijke voorkeuren een rol bij de gekozen behandelmethode. Waarom geeft de ene longarts wel en de andere niet meer chemotherapie aan een longpatiënt in de laatste fase van zijn of haar leven? Of waarom hecht de één met nylon draad en de ander met staaldraad? Die inhoudelijke discussie kwam niet zelf op gang omdat medisch specialisten geen informatie met elkaar vergeleken. Wij zijn daar uniek in. Ik ken in Nederland geen andere ziekenhuizen die op deze manier informatie met elkaar delen."

Ik ken er in België ook geen. Niet binnen of buiten de taalgrenzen. Hier gunnen de topklinieken elkaar het licht in de ogen niet. Staar is een nationale ziekte geworden bij directeuren in de gezondheidsinstellingen. NICE heeft ook daarvoor een behandelingstraject.

Deze opinie verscheen eerder al op Mediquality.net

Marc van Impe, Senior Writer voor MediQuality, voorzitter van het Vlaams Instituut voor Journalistiek.

Bron: https://www.santeon.nl/

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneelfinancieel of organisatorisch!