De Trucjes van de Foor Doorprikt

De Trucjes van de Foor Doorprikt

Het heeft natuurlijk iets surrealistisch: een bespreking van een bespreking. Maar het artikel ‘De Vlaams-Nationalist als discursieve Constructie’ van Kevin Absillis in de ‘Wetenschappeljke Tijdingen’ 2015/4 is gewoon te opmerkelijk om eraan voorbij te gaan.

Bovendien zouden we Absillis onrecht aandoen als we zijn artikel enkel als ‘bespreking’ van het doctoraal proefschrift van Ico Mally zien: het is veel meer dan dat. Absillis neemt de gelegenheid waar om diep door te dringen in enkele aspecten van de intellectuele context waarin dat werk ontstaan is.

Manipulatie

Wat ik het meest aan Kevin Absillis bewonder is de absoluut nuchtere, bijna afstandelijke zakelijkheid waarmee hij dit werk analyseert. Ik ben daartoe niet in staat: ik word hier boos van. Ik moet bekennen dat ik er niet in geslaagd ben ‘N-VA Analyse van een politieke ideologie’, het proefschrift van Maly, ten einde te lezen. Niet omdat Ico Maly ideeën ventileert waarmee ik het grondig oneens ben. Dat is niet enkel zijn goed recht; het hoort zelfs organisch bij een debat die naam waardig. Ook niet omdat hij duidelijk probeert te manipuleren. Dat is natuurlijk al veel minder ‘netjes’, maar helaas vandaag niet ongebruikelijk. Wat mij echter ontzettend kwaad maakt is de plompheid van die manipulatie.

Ik voel me daardoor gewoon grof beledigd; voor een onnozelaartje weggezet. Enkel al de cover van het boek druipt van de listig binnengesmokkelde suggestieve symboliek. Maly neemt blijkbaar voetstoots aan dat wij dat allemaal niet merken, en vooral dat wij Antonio Gramsci niet gelezen hebben, en dus ook niet weten hoe men de duidingshegemonie steelt.

Absillis laat zich door dat alles niet irriteren. Hij heeft, met zijn ‘microtoom’, het werk van Maly in heel fijne schijfjes gesneden en onder zijn microscoop gelegd. Hij observeert emotieloos en er ontgaat hem niets. Zijn behandeling is niet enkel zakelijk, maar ook uitgesproken fair. Natuurlijk laat hij duidelijk merken dat hij wel degelijk ziet hoe smal en brokkelig het fundament is waarop Maly zijn gebouw neerzet. Hij wijst op het ongenuanceerd en exclusief gebruik van bronnen die in de literatuur als blind fanatiek en eenzijdig bekend staan (Sternhell), en op de referenties naar vulgariserende werken (Reynebeau), die in hun nogal oppervlakkige algemeenheid natuurlijk helemaal niets kunnen helpen aantonen. Ook de suggestieve cover wordt aan minutieus onderzoek onderworpen. Vanzelfsprekend wijst hij op de vaak nogal boude sprongen die Maly in zijn redenering maakt, maar hij vermeldt ook de plekken waar hij verdienstelijk werk ziet. Dat belet Absillis niet het zwak taalgebruik dat duidelijk onder fanatisme lijdt expliciet aan de kaak te stellen.

Antiverlichting

De eerste – en naar mijn eigen aanvoelen belangrijkste – controverse die Absillis aanpakt is ook die waar Maly mee begint: ze draait rond het begrip ‘Antiverlichting’. Een aantal denkers heeft zich, in de loop van de tijd, kritisch over de verlichting gebogen. Absillis noemt de belangrijkste op. Eigenlijk deden die onderzoekers precies dat wat de verlichting zelf voorschrijft, namelijk met behulp van de rede hun observaties van een verschijnsel (in casu de verlichting) analyseren. Het heeft me altijd mateloos verbaasd dat die ‘tegenverlichting’ – zo wordt die beweging door minder verbeten fanatieke critici genoemd – zoveel deining kon veroorzaken. Het kan toch niet waar zijn dat alles aan een kritisch onderzoek onderworpen moet worden, behalve… de verlichting zelf. Hier stoten we op een merkwaardige en gevaarlijke vorm van myopie die aanzienlijke delen van onze moderne intelligentsia schijnt te plagen. De verlichting, hoe belangrijk ze ook was en is, krijgt in de ontwikkeling van het denken een misplaatste geëxalteerde positie toegewezen, een quasi goddelijke status, die voor geen enkel filosofisch systeem gepast kan zijn. Daardoor krijgt iedere kritiek aan de verlichting natuurlijk het karakter van blasfemie. De religieuze verbetenheid waarmee deze discussie vaak gevoerd wordt, verbaast vooral in het licht van de strikt laïcistische standpunten die de voorvechters van de verlichting heel vaak innemen.

De verering van de verlichting wordt vaak uitgebreid tot haar eerste duidelijke maatschappelijke expressie: de Franse Revolutie. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat die laatste ook de terreur produceerde, met tienduizenden slachtoffers. De akten van het proces tegen Marie Antoinette zijn vandaag nog beschikbaar, en tonen een onvoorstelbaar perfide perversiteit, een ware aanfluiting van iedere vorm van mensenrechten. Ook bij de veroordeling en executie van Lavoisier was het recht meer dan krom. Dat was gewoon moord, en waarom zouden we dat dan anders noemen? We maken het ons vaak nogal gemakkelijk door de terreur exclusief op de rekening van Robespierre, die we als pathologisch bloeddorstig monster afschilderen, te schrijven. De werkelijkheid was wel iets minder eenvoudig. Robespierre probeerde de ideeën van Rousseau zeer letterlijk om te zetten, en die radicaliteit leidde tot de terreur!

Dan kan het toch nauwelijks verwonderen dat tijdgenoten, zoals Sir Edmund Burke, de wenkbrauwen fronsten en zegden “Vrijheid zonder wijsheid en zonder deugdzaamheid is het grootst mogelijk kwaad”. Het is voor mij moeilijk verstaanbaar dat net Burke nog altijd als aartsconservatief wordt afgeschilderd. In het Britse parlement van de 18de eeuw duidelijk zeggen dat de opstandelingen in Noord Amerika wel degelijk redenen tot klagen hadden, of ook koudweg beweren dat het misdadig was de Ierse katholieken zo te onderdrukken, was niet echt vanzelfsprekend, ook niet populair en zeker niet ‘conservatief’. Burke heeft beide dingen gedaan.

Voor Maly moet de wereld tamelijk eenvoudig zijn:

-          Verlichting is goed

Dus

-          Tegenverlichting is slecht.

En

-          Vlaams nationalisme in het algemeen, en N-VA in het bijzonder zijn slecht

Bij gevolg bouwt Maly een constructie die moet aantonen dat Vlaams nationalisme en N-VA hun wortels in een antiverlichtingstraditie hebben en de waarden van de verlichting verwerpen. Dat lijkt, vanuit het bovenstaand schema, eigenlijk evident. Die constructie is echter duidelijk op drijfzand gebouwd, en haar fundament bestaat uit veel meer geloof dan feiten. Er is dus de nodige schade aan, en Absillis voert ons, rustig en beschaafd, van de ene barst naar de andere. Ik kan toch het gevoel niet onderdrukken dat hij daaraan ook enige voldoening beleeft.

Na Zwarte Zondag

Dan volgt er een vrij uitgebreide behandeling van de intellectuele en culturele ontwikkeling die ontstond na het grote verkiezingssucces van het Vlaams Belang in 1991. ‘Het Belgische Migrantendebat’ (1992, Blommaert en Verschueren) zal hier een beduidende rol spelen. Overigens; Blommaert was de promotor van Ico Maly’s doctoraat.

Deze excursie is nodig omdat ze de context beschrijft waarin het werk onder observatie ontstaan is. Het ging hier, zoals in een postmodern debat gebruikelijk en volgens Gramsci onafwendbaar, om de duiding van belangrijke begrippen zoals: natie, nationalisme, racisme, multiculturaliteit en identiteit. Iedereen die een beetje wilde opvallen, dus ook beeldende kunstenaars (Luc Tuymans) en schrijvers (Tom Lanoye) die grotendeels door de gemeenschap onderhouden worden , meenden zich in dit debat te moeten inbrengen.

De Kip, het Ei en Identiteit

Niet de even zakelijke als intelligente ‘reportage’ door Kevin Absillis, maar het verloop van het debat zelf werkt op mij zeer bevreemdend. Er is, bij voorbeeld, de vraag: wat was er eerst, de natiestaat of het nationalisme? Dat herinnert mij fataal aan de oeroude kwestie van de kip en het ei. Die laatste vraag is, zoals wij door de studie van de evolutie kunnen weten, totaal onzinnig. Zou dat voor de natiestaat – nationalisme probleemstelling misschien ook het geval kunnen zijn? De discussie over ‘Vlaamse identiteit’ toonde bij wijlen tragikomische aspecten. Bij voorbeeld toen Siegfried Bracke, die toen nog niet ontdekt had dat zijn hart eigenlijk Vlaams klopt, de arme Luc Van den Brande vroeg of de Vlaamse identiteit, die niet bestaat (dat had Reynebeau immers gezegd) er volgens hem toch kon zijn. Bracke bewees toen al zijn groot politiek talent, door voetstoots te impliceren dat het feit dat Reynebeau iets denkt of zegt een bewijs voor gelijk wat vormt, zelfs als hij het eens voldoende precies zou formuleren om falsifieerbaar te zijn. Van den Brande gaf het antwoord dat men van een CVP topman moest verwachten: een vastberaden “mogelijkerwijze wel, maar eventueel ook niet”. Deze top performance liep af zonder dat er gelachen werd: zoals zo vaak in Vlaanderen, niemand begreep de grap.

Maar natuurlijk heeft ieder volk zijn identiteit, ook het Vlaamse. En natuurlijk is ‘volk’ geen uitsluitend etnisch of genetisch begrip. Identiteit toont zich in talloze aspecten, taal, kleding, muziek, literatuur, beeldende kunsten, gebruiken en gewoontes... overal, van Moermansk via Kaapstad naar Tokyo en terug. Identiteit kan in zeer verschillende intensiteiten waargenomen worden. Vandaag is ze in Oost Europa, hoewel ook daar op de terugweg, duidelijk nog veel sterker aanwezig dan hier. Speciaal de Vlaamse identiteit is en was altijd eerder zwak. Wij zijn namelijk, ook cultureel, echte kameleons: wij nemen graag en snel de kleur van de achtergrond aan. Sommigen denken dat de oorzaak daarvoor is dat we in onze geschiedenis altijd, en tot de huidige dag, door vreemde machten geregeerd werden. Het zou ook omgekeerd kunnen zijn. Misschien heeft onze extreme ‘flexibiliteit’ wel belet dat we ooit een sterke staat konden vormen, en werden we daarom altijd overheerst. Maar mogelijk is zelfs dat een deel van onze identiteit.

De Guldensporenslag

Voor het geval iemand aan mijn mening over de Guldensporenslag, die hier ook herhaaldelijk ter sprake komt, moest geïnteresseerd zijn: er waren twee Guldensporenslagen!

De eerste was de historische. Hij werd veroorzaakt door een onzalige interferentie van twee in principe onafhankelijke processen: de eenmaking van het Franse koninkrijk en sociale conflicten in Brugge (die op dat moment in bijna alle Europese steden optraden). Die slag was verre van de absolute historische primeur die er ooit van gemaakt werd. Er waren voorgaanden, die bijna precies zo afliepen, zowel wat de oorzaken en het resultaat als de gebruikte bewapening en tactiek betreft: de slag bij Worringen (Keulen) in 1288 en die van Stirling Bridge in 1297. Tot en met de beslissende fatale cavalerie charge op het verkeerde moment en het verkeerde terrein.

De tweede was de mythische, zoals geschapen door Conscience. Die had met de historische, buiten de naam, bijna niets te doen. Ieder volk heeft zijn mythes waaraan het zich optrekt. Vroeger, toen ze nog niet door de overheid onderhouden werden, voelden kunstenaars zich vaak geroepen om dergelijke mythen in woord of beeld te scheppen.  Ik zou wel eens willen weten wat daaraan fout was. Het overigens prachtig gedicht ‘Waterloo’ van Victor Hugo geeft ook de historische werkelijkheid niet precies weer. En dan?

Capitulatie en Collaboratie

Wij kunnen dergelijke simpele gedachten niet meer denken, en we durven ze heel zeker niet meer uitspreken. Te sterk is de neurotische dwang om ‘in’ en modern te zijn, om er toch maar tot iedere prijs ‘bij’ te horen. Daarom lopen we kritiekloos mee in het postmodernisme, de aanbidding van de verlichting, het postkolonialisme, het multiculturalisme, het politiek correcte… We hebben die denkpatronen omhelsd en gebruiken hun jargon. We citeren ons te pletter. Ik heb al op ons ‘talent’ als kameleons gewezen.

Ook wij denken en praten bijna uitsluitend in termen van ‘discours’, ‘deconstructie’, ‘discursief’…  Ik wil Michel Foucault, die – zoals Kevin Absillis ook aantoont – vaak verkeerd begrepen en geciteerd wordt, als denker helemaal niet onderschatten, en ik weet ook hoe hij ‘discours’ bedoelde, maar ik geloof toch dat er aan het leven nogal heel wat meer aspecten zijn dan een ‘verhaal’.

Ik weet uit de fysica hoezeer waarnemingen kunnen beïnvloed worden door de observatiemethode. Van menswetenschappen weet ik niets, maar zou dat daar nu echt anders zijn? Zou dat misschien onze aandoenlijke hulpeloosheid in het debat kunnen verklaren?

Kevin Absillis toont heel die charade op zijn typisch zorgvuldige, iets onderkoelde manier. Hij toont de struikelende pirouettes van de protagonisten in al hun potsierlijkheid en vertrekt er geen spier bij. Op mij werkt het schouwspel afgronddiep triest, zelfs deprimerend. Het toont weer eens met brutale duidelijkheid: wij hebben geen elite die naam waardig. De troosteloze schraalheid van ons geestesleven staat schrijnend scherp tegen de achtergrond van heel die discussie. Wij zijn een volk zonder hoofd, en dat al sinds de 16de eeuw. Het feit dat we desondanks enkele uitzonderlijke persoonlijkheden konden voortbrengen is geen bewijs van het tegendeel. Maar we hebben al sinds de middeleeuwen iedere werkelijke leider die opstond vermoord. Vroeger deden we dat letterlijk, vandaag proberen we het eerder figuurlijk. Dat is toch minstens al een zekere vooruitgang.

Kevin Absillis eindigt met nog eens een bezoek aan de ‘antiverlichting’. Dat zit hem blijkbaar –  begrijpelijk – toch hoog.

Natuurlijk is dit een echte wetenschappelijke verhandeling, maar ze is vlot en elegant geschreven, en daardoor toch vrij gemakkelijk leesbaar. Ik zou me veel meer daarvan wensen. Misschien kan ik dan, met groot enthousiasme, mijn mening over de schraalheid van ons geestesleven ooit nog eens herzien.

Gerard De Beuckelaer

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur.

We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneelfinancieel of organisatorisch!