De strijd van de drie moraalridders

De strijd van de drie moraalridders

De laatste maanden stapelt het slechte nieuws over ons onderwijs zich op. Bij het begin van het schooljaar bleek maar liefst 40% van de schooldirecties nieuw. Zulk verloop is verontrustend. Dat wijst typisch op zware tekorten in de hogere directie. Daarna volgden berichten over een significante achteruitgang van onze leerlingen bij de Pisa-testen en bij de PIRLS testen.

Wat loopt er dan allemaal mis?

Het Vlaamse onderwijs behoorde tot de wereldtop, tot voor kort. Voor autochtone leerlingen scoort het even goed als het Finse, de vermeende leider, en voor allochtone leerlingen evenzeer. Maar Vlaanderen heeft meer autochtone leerlingen dan Finland. Dat trekt het gemiddelde naar beneden. Aziatische landen gaan relatief vooruit in internationale vergelijkingen, en Vlaanderen, net zoals Finland en andere Europese staten achteruit. Maar tegelijk scoren allochtone Vlaamse leerlingen die thuis (ook) Nederlands praten, nog steeds redelijk goed, rond op het Europese gemiddelde. De onheilsboodschappen over achterstelling in de scholen moeten dus zeer sterk gerelativeerd worden.

Maar er is wel degelijk een probleem. In De Morgen laat Prof. Wim Van Den Broeck (VUB) daar geen twijfel over (hier): “in 15 à 20 jaar tijd zijn we erin geslaagd een van de beste onderwijssystemen ter wereld (met ook uitstekende kansen voor de zwakken) onderuit te laten zakken tot een middelmatig niveau.”

Velen mengen zich recent in het debat rond de oorzaken van de recente achteruitgang, met name de bevoegde minister en de top van de netten (het ‘GO’ en ‘de Guimardstraat’). Deze drie instellingen (ministerie en de twee grote netten) kwamen de voorbije decennia redelijk goed overeen op het gebied van onderwijsbeleid. Van Den Broeck: “één specifieke onderwijsvisie was de laatste decennia wél dominant”, in casu de ervaringsgerichte, constructivistische onderwijsvisie. Men kan gerust van drie moraalridders spreken. Maar nu menen zij net dat de leerkrachten de voornaamste (of de enige) schuldigen zijn voor de recente achteruitgang.

Foto: Veel waarnemers vinden het beleid van Ministerie van Onderwijs, Katoliek Onderwijs Vlaanderen (KOV, ook 'de Guimardstraat' genoemd) en Gemeenschapsonderwijs ('GO') oubollig, verstard en onwetenschappelijk in aanpak en doelstellingen.

Meerdere critici wijzen echter vooral op meerdere zware tekorten in het beleid van die drie.

Wouter Duyck (prof. UGent) wees, in De Standaard en op zijn blog, op de rampzalige resultaten in PIRLS, “Geen enkel land ging qua leesprestaties in 10 jaar tijd meer achteruit dan Vlaanderen.”, en op de grote bedreigingen: “De dramatische resultaten zijn de kanarie in onze onderwijskoolmijn, en vormen een ernstige bedreiging voor onze economie en de welvaart van 2050 en later.”. Onze enige kans op blijvende welvaart is een sterke kenniseconomie. Maar dat “vereist ambitieus onderwijs, waarin leerprestaties cruciaal zijn. Welbevinden is een voorwaarde voor, en zelfs een uitkomst van, goede prestaties. Maar onderwijs moet in de eerste plaats blijven gaan om leren en cognitieve ontwikkeling. (…) Het is een illusie te denken dat we die internationale competitie kunnen aangaan met middelmatig onderwijs". Gebrek aan ambitie dus.

Pedro De Bruyckere onthield uit PIRLS ook dat 1 op 4 onderzochte kinderen zich quasi dagelijks moe te voelen en 1 op 5 zowat dagelijks honger hebben. Het zijn zeker aanwijzingen van reële problemen.

Zware flaters in doelstellingen én aanpak

De boodschap is duidelijk: het feit dat alle leerlingen - zowel autochtone als allochtone, zowel de sterke als de zwakkere - achteruitgaan, wijst op veralgemeende problemen, namelijk dat ons onderwijs, qua doelstellingen en aanpak, ver is afgedreven van haar eerste opdracht.

Dat kwam omdat de focus op leerprestaties ‘verdween’. Maar dat ging niet zomaar. Dat was het directe gevolg van de ideologisch gecultiveerde aversie van ambitie, inzet, doorzetting en competentie. Iedereen gelijk en de sterksten mogen niet afsteken tegen de rest. De gelijkheidsobsessie dus. Het resultaat is een zeer kleine spreiding in de Vlaamse PIRLS resultaten. Dat moet bepaalde lui plezier doen. Dat de zwakkere leerlingen hier nog ‘relatief goed’ scoren is zonder enige twijfel goed. Maar dat ging wel ten koste van een grote, algemene daling van het peil. De nivellering die drie moraalridders nastreefden draaide dus uit op een zware nivellering naar beneden. Het is een collectieve achteruitgang.

Laat dat nu net zijn wat waarnemers zoals Duyck, De Bruyckere, Van Den Broeck, Itinera en de Onderwijskrant al jarenlang aanklagen. Doch in de Wetstraat deelde enkel de N-VA die terechte kritiek.

Philip Brinckman, directeur aan het Sint-Jozefcollege te Turnhout beseft dat de fout niet in één hoekje ligt: “Misschien moeten we met zijn allen schuldig pleiten? De ideologische vooringenomenheid van sommige politici, de strijd om het monopolie tussen de onderwijsverstrekkers, het ongeduld van de consumptiemaatschappij tegenover de tijdrovende kennisopbouw, de pedagogische onmacht van ouders, waardoor de school vervelt van kenniscentrum tot zorg- en zelfs verzorgingscentrum, en zelfs het gebrek aan moed van de leraar en directies om hun stem te laten horen en zich te verzetten tegen vermeende academici met hun vele hypes.” (De Tijd, 16 dec. 2017).

Maar de kern van zijn (en onze) kritiek is wel gericht tegen die drie moraalridders. Hun beleid van de laatste decennia is immers verantwoordelijk voor:

1. De ‘sociologisering van het onderwijs’, met o.m. een ontspoord streven naar ‘gelijkwaardigheid’. Het onderwijs kan de maatschappelijke ongelijkheid immers niet in zijn eentje oplossen. Brinckman: “Onderwijs gaat allereerst over leren, over vorming en ontwikkeling van jongeren.”. Ik wil eraan toevoegen dat een ideologisch dogmatisch project zoals dat van moraalridders en de politiek-correcte lui niet thuis hoort in het onderwijs. Politiek is immers verboden in onze scholen, zegt de wet.

2. De overbelasting van het onderwijs: Duyck: “onderwijs moet alle maatschappelijke problemen oplossen, van integratie tot burgerschap en radicalisering”, Brinckman: “Ouders en de maatschappij schuiven de hete aardappel van de wilstraining of attitudevorming door, soms uit onmacht, dikwijls uit tijdnood. Het kennisonderwijs is het kind van de rekening, omdat te weinig tijd overblijft om doelgericht kennis, vaardigheden en attitudes in te oefenen. Willen we echt een maatschappij die oeverloos palavert over het welbevinden van kinderen en hen daardoor vasthoudt in een wilsarme couveuse?”.

We zwijgen dan nog van het oppervlakkige en ideologische gekleurde beeld van de moraalridders over de verwachtingen van de arbeidsmarkt. Maar bedrijven vragen echt geen hard getrainde vakidioten zoals velen in de Wetstraat nog dikwijls lijkt te veronderstellen, én zoals de mandarijnen in Brussel openlijk laten horen.

3. Een ‘nep-academisering’ van het onderwijs: Wat de scholen te slikken krijgen is dikwijls een dogmatische selectie op basis van onwetenschappelijk, krakkemikkig opgezette onderzoeken. Men hoeft geen specialist te zijn om daarin de methodologische fouten te zien. Maar de besluiten zijn wel van de gewenste kleur voor onze moraalridders: het onderwijs zou allochtone leerlingen zwaar benadelen, thuistalen en hoofddoeken nodeloos verbieden, …. De weinige onderzoeken over de hoofddoek tonen echter net aan dat de hoofddoek dikwijls opgedrongen wordt. Karin Heremans weet dat donders goed, maar die moraalridders willen dat mordicus niet horen.

4. De vervlakking van het kennisonderwijs: Jaren streefden die moraalridders allerlei ideologische fetisjen na. Daarbij was het véél belangrijker dat evenveel arbeiderskinderen aan de univ. terecht kwamen, dan de kwaliteit van het onderwijs zelf. En al even belangrijk voor hen, normen en het leren zoeken naar kennis en waarheid moesten massief het veld ruimen. Eindeloos palaveren en relativeren, dat wel. Maar, zo klaagt Brinckman terecht aan: “Respect voor ieders mening is belangrijk, maar niet elke mening is even belangrijk of waarheidsgetrouw.”.

5. De heilloze voorrang van plezier en welbevinden van de leerling. Van Den Broeck is er klaar mee: “Als het welbevinden van de leerling steevast wordt voorgesteld als een noodzakelijke voorwaarde om te leren, is het dan vreemd dat leerlingen nog moeilijk een inspanning kunnen leveren en ze steeds kwetsbaarder worden? Er is niets mis met het streven leerlingen een positief gevoel te geven op school, maar het heeft geen zin dit gevoel los te koppelen van het leren zelf.”, en “Schools leren is geen kwestie van natuur, maar van cultuur.”. Zijn besluit is vlijmscherp voor onze moraalridders: “De constructivistische onderwijsvisie hoort niet bij die wetenschappelijke basis. Ze is zoals de psychoanalyse in de psychologie: verouderd, pseudo-wetenschappelijk en potentieel schadelijk.”. Waarbij ik me enkel afvraag of dat woordje ‘potentieel’ wel terecht is.

Al deze critici beseffen wat de uitdaging is: blijven we ons onderwijs opofferen voor de gelijkheidsobsessie van dogmatici, of heroveren we ons onderwijs opdat onze maatschappij zich de verworvenheden van het humanisme en de verlichting niet meer laat ontfutselen?

Ons onderwijsbeleid mag het geweer van schouder verwisselen, dat Mexicaanse leger met zijn onbekwame generaals naar huis sturen en onderwijs terug centraal stellen. Daarbij mijden we best alle bananenschillen, zoals de onterecht gevreesde vermarkting.

Waarom mag X miljard geen goed rendement in scholing opleveren?

Het probleem ligt immers niet in de kwaliteitsbewaking (die nog ruimschoots te verbeteren is), noch in het rendementsdenken, maar wel in de primitieve en dogmatische manier waarop onze moraalridders en sommige mercantiele zondagschauffeurs in directeursplunje dat nastreven.

Zij streven dat na zoals een commercieel directeur die zijn verkopers alleen maar op omzet beloont, en die ze enkel kwantitatieve ‘targets’ oplegt zoals de minimale aantallen nieuwe klanten per maand: zoveel kleine, zoveel middelgrote en enkele grote. Gevolg is dat alle verkopers als zot kortingen geven om omzet op te drijven. Enkele maanden later slaat de financiële directeur dan alarm omdat de totale omzet wel stijgt, maar men verlies draait! In het onderwijs vertaalt dat zich in een eindeloze stroom omzendbrieven, wollige praat, veel aandacht voor fetisjen en massa’s metingen van onbelangrijke parameters, en tegelijk weigeren de essentie te meten, plus een tsunami aan onhaalbare ideologische doelstellingen. Een enorme bewijs- of planlast is dan het gevolg. Daardoor ontstaat dan “een cultuur van wantrouwen tussen het beleid en de veldwerkers”.

Heel voorspelbaar. En heel begrijpelijk dat dit anno 2017 relatief weinig sterke profielen voor de opleiding tot, en het beroep van leraar weet aan te trekken. Het probleem is dus niet de aard van het werk, maar wel de van aan de top besliste werkomstandigheden. Waarbij we nog enkele aanverwante problemen terzijde lieten.

Rudi Dierick, ingenieur, zakelijk adviseur en hoofdredacteur De Bron

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!