De private onderneming en de staatsinstelling

De private onderneming en de staatsinstelling

Het falen van staatsinstellingen heeft veel redenen: personeel kan amper beloond of gestraft worden, politici en bureaucraten leven in verschillende werelden, ... Misschien toch iets leren van de bedrijfsvoering in de private sector? Maar dan wel zonder modes en rages.

Ik heb vandaag een document ondertekend waarin ik mij akkoord verklaard met de ‘Algemene Functiebeschrijving Leraar’. Daar staat onder andere in dat ik op basis van een goede planning en voorbereiding les moet geven. Ik ben daar best toe bereid.  Er staan ook veel woorden in alsontplooiing, milieubewustzijn, ontwikkelingsdoelen, bijsturing, communicatie, coaching en remediëring en al die woorden worden bekrachtigd door krachtige bijvoeglijke naamwoorden.

Het is allemaal nogal wat.

Ik geloof dat zulke functiebeschrijvingen uit het gebied van de private onderneming zijn overgewaaid. Ik heb ooit in een private onderneming gewerkt – een advocatenkantoor – en daar hadden ze ook zo’n functiebeschrijving, voor advocaten dan, in het Nederlands en in het Frans, want het kantoor was in Brussel gevestigd. Ik herinner mij vooral de Franse versie. Artikel 14: ‘Ne pas être wereldvreemd’. En verder ging het ook veel over ontwikkelingsdoelen en bijsturing en coaching en communicatie. 

Welnu, dat advocatenkantoor had elk jaar een algemene vennotenvergadering om te beslissen wie van de medewerkers tot vennoot zou worden bevorderd. Ik heb wel eens gehoord hoe zo’n vergadering verliep. Een senior partner zingt de lof van een bijzonder vlijtige en talentvolle medewerker. Die is communicatief, hij stuurt bij, hij heeft oog voor de ontwikkelingsdoelen en hij coacht als de beste. Bovendien, laat dat duidelijk zijn, il n’est pas wereldvreemd. De andere vennoten knikken. Voor hen ligt een functiebeschrijving en ze kunnen als ze dat willen met de vinger volgen op het document. Maar op hun knieën, onder de tafel, ligt een ander document, waar het zakencijfer, de bottom line, van de medewerker vermeld staat. Iets meer dan een miljoen? Ja, dat wordt een goede venoot, ook al is hij een beetje – soyons sincères – wereldvreemd. 

Kijk, dat vind ik mooi en zuiver, die bottom line. In het onderwijs, en in de meeste staatsinstellingen, hebben we zoiets niet.

De Amerikaanse auteurs William D. Eggers en John O’Leary schreven een aantal jaren geleden een boekje over succes en falen van grote projecten die door staatsinstellingen ondernomen werden. Het heet ‘If We Can Put a Man on the Moon’ en het verklaart waarom staatsinstellingen, zoals NASA, er wel in slaagden om in acht jaar tijd een Amerikaan op de maan te laten landen, en hem levend en wel terug te brengen, maar er omgekeerd niet in slaagden om, ondanks de besteding van heel veel geld, de armoede in eigen land terug te dringen.

Het falen van staatsinstellingen heeft veel redenen: het personeel kan amper beloond of gestraft worden door loonsopslag of afdanking, politici en bureaucraten leven in verschillende werelden, een democratie verspreidt de macht over verschillende organen zodat geen van die organen die macht kan misbruiken. Zelfs van een geslaagd project als de maanlanding weten we niet zeker of het niet ook sneller of goedkoper had gekund, want er was geen commerciële concurrent van NASA waarmee we kunnen vergelijken.

Ondertussen bepleiten Eggers en O’Leary dat staatsinstellingen zouden leren van de bedrijfsvoering in de private sector. Waarom niet? Maar ik geloof ook dat in die bedrijfsvoeringstechnieken, naast veel waardevolle inzichten, ook de nodige modes, bevliegingen en voorbijgaande rages opduiken. Bedrijven die zich teveel door die modes laten leiden, ondervinden daarvan snel de gevolgen. De bottom line zorgt ervoor dat de ergste onzin snel verdwijnt. Of in het beste geval als ongevaarlijke folklore – als ritueel spel – overleeft, en verdragen wordt, want men heeft tenslotte goed geld betaald voor dat seminar waar de nieuwste bedrijfskundige mode werd aangeprezen.

Maar wat gebeurt er als die modes en rages als exoten worden overgeplant in de tuinen van de publieke sector? De kans bestaat dan, geloof ik, dat ze inheemse gewassen als ervaring, gezond verstand en een zeker idealisme gaan overwoekeren. Dat ze helemaal ernstig worden genomen door lieden die blind zijn voor de folklorekant ervan. Lieden die zich van een bottom line weinig hoeven aan te trekken. Lieden die geloven dat bijvoeglijke naamwoorden als ‘concreet’, ‘kwaliteitsvol’, ‘bewust’, ‘weloverwogen’, ‘systematisch’, ‘coherent’, ‘planmatig’ en ‘maximaal’ in geen enkele tekst mogen ontbreken.

Philippe Clerick is leraar Nederlands en blogger

Dit stuk is overgenomen van zijn blog.

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneelfinancieel of organisatorisch!