De hoop van het volk weer laten opleven (4)

De hoop van het volk weer laten opleven (4)

Populisme wordt vaak geweten aan teleurstelling. Die analyse miskent de kern van de zaak: het gevoelen van machteloosheid. Machteloosheid is ondraaglijker dan ontbering, ze tast de identiteit aan. Teleurstelling is immers psychologisch een heel ingewikkelde emotionele toestand (Crab 1994, Loomes 1988, Mandel e.a. 2005).

Je kunt aan de emotionele toestand van mensen niet achteloos voorbijgaan. Wie het ‘populisme’ op teleurstelling terugvoert miskent een hele belevingsdimensie met zware emotionele lading. Die dimensie heet machteloosheidsgevoel, in al zijn tegenwoordige vormen. Meer dan ooit is de moderne mens opgeslokt door allerlei belangen- en andere groepen en groepjes, en vastgebonden door wetten, verboden en reglementen.

Ik som hier wat losse feiten zo maar voor de vuist op. Iedereen kan naar eigen goedvinden aanvullen.

Kiezen tussen marginaliteit en uitpersing

De zelfstandige mens van destijds, die het land bewerkte en alleen van het weer afhankelijk was, de boer als prototype van de vrije, zelfbesturende mens, wordt geringeloord door regeltjes over spuit- en mestnormen en door economische wetmatigheden die hem dwingen of te vergroten tot een heus bedrijf waar vervolgens ‘management’ de dienst uitmaakt, en zo zijn zelfstandigheid op te geven; of te kiezen voor een marginaal bestaan in een wereld waarin telers door supermarkten zo worden uitgeperst dat ze amper overleven.

Wie uitgroeit tot een bedrijf botst op stapels regels, wetten en bepalingen. Een leger adviseurs en specialisten is nodig om de lange rij mogelijke boetes te vermijden.

De mens die niet tot een bevoorrecht gilde behoort leeft in de onzekerheid van tijdelijke contracten in een industrie die geen enkele zekerheid biedt voor de toekomst omdat de open grenzen het makkelijk hebben gemaakt het boeltje op te pakken om elders snel meer geld te verdienen. Verandering is de enige constante maar veroorzaakt tegelijk het verdwijnen van elke zekerheid over de toekomst, over het voldoen aan de kinderwens of het kopen van een eigen huis. Ze brengt dus onrust, spanning, stress en het gevoel mee een machteloze speelbal van naamloze krachten te zijn geworden. In de zorgsector neemt overal de werkdruk op het uitvoerend personeel dermate toe dat mensen op de werkvloer bij bosjes aan depressies neervallen, terwijl het aantal hogere leidinggevenden, die geen wezenlijke bijdrage leveren, in die instellingen intussen almaar stijgt. Idem dito in het onderwijs dat kapot gaan aan formulieren invullen.

Aan alle kanten geblokkeerd

Alles wat belangen en verstand heeft werd mede daarom in de mallen van de belangengroeperingen gegoten: apothekers, artsen, advocaten, vastgoedmakelaars, eigenaars, werknemers in vakorganisaties, maar ook plaatselijke vaak tijdelijke belangengroepen die hard roepen en daardoor soms onterecht gehoor vinden.

Wie een afwijkende visie heeft komt niet aan bod. Wie in de pen wil kruipen en een onderbouwd stuk naar de krant stuurt, vindt zijn inspanning niet beloond: het stuk verschijnt niet.

Er is ook de machteloosheid van een politiek die weliswaar uit het moeras wil springen, doch dat niet kan omdat er zoveel tegenwerking is dat niets nog mogelijk is zonder kleerscheuren aan deze of gene zijde. Je moet heus goed op je woorden letten, zo niet word je door het stof gesleurd wegens ontoelaatbare uitingen. Dat gebeurt nota bene in een  samenleving die de persoonlijke vrijheid hoog zegt te achten!

Wie het toch wat onderneemt botst op uitspraken van een Raad van State, waardoor nauwelijks nog beslissingen kunnen genomen worden of hij botst op een reeks van groupuscules, vaak geleid door lieden die vooral zichzelf graag horen maar intussen de noodzakelijke investeringen om verdere verkeersinfarcten te vermijden blokkeren.

De stroperigheid van alle systemen

Zodoende biedt de politiek tegenwoordig het beeld van een wanhopig in de marge morrelende groep, zonder twijfel vaak met heel goede bedoelingen: door de veelheid van krachten en machten, gaande van een quasi-dictatoriale EU – die elke democratische beslissing weg kan blazen – tot multinationals en onwillige, archaïsch denkende vakorganisaties, vrijwel volledig machteloos. Jos de Man vermeldt in zijn Van burger tot onderdaan (2012) dat de voormalige Duitse Bondspresident Herzog zich afvroeg of zijn land nog een democratie is, als hij constateert dat 84% van de wetgeving door de Europese bureaucratie wordt opgesteld en het gerechtshof van Straatburg zich boven elke nationale wetgeving stelt, zelfs in zaken waar het niet eens bevoegdheid heeft.

Daar komt een bijtende hypocrisie bovenop van een elite die de mond vol heeft over gendergelijkheid, maar intussen zaakjes doet met Saudi-Arabië, waar vrouwen slavinnen zijn of die immigratie toelaat uit landen waar vrouwen als speelgoed worden gezien. Waarna die gewoontes hier worden geïmporteerd, en als je er wat van zegt, dan doe je aan stigmatisering. Massale aanrandingen blijven grotendeels onbestraft en de politie wordt geacht te zwijgen om zogenaamd het populisme niet de kaart te spelen. Machteloosheid. Ongrijpbaarheid. Onveranderlijkheid van wat dringend zou moeten veranderen.

Ook die ‘gewone man’, waarvan de grote meerderheid tenslotte minstens tot zijn achttien school liep, voelt alom deze totale maatschappelijke viscositeit, de taaie stroperigheid van zowat alle systemen waaruit onze westerse wereld bestaat.

Overmand door een letterlijk grenzeloze machteloosheid zinkt de modale man weg in de nietigheid van onnozele amusementsprogramma’s, daarmee zijn tijd dodend zonder hoop op beter.

Een doorleefd maatschappelijk project

In dergelijke omstandigheden volstaat zelfs maar het kleinste sprankeltje hoop dat door een welsprekend en retorisch meer dan gemiddeld begaafd politicus wordt geboden. Dergelijke hoop de grond in willen boren uit naam van antipopulisme is hatelijk en onmenselijk.

Zolang een samenleving niet door een doorleefd gemeenschappelijk project in een gekozen richting wordt gedreven, doch een allegaartje van elkaar bestrijdende groepjes en groepen blijft (Naegels, 2015), is persoonlijke zingeving voor de gemiddelde mens een haast onmogelijke opdracht. Tenzij hij vlucht in geloof – zoals jonge immigranten – of in esoterische verhalen, waarvan het tegenwoordig bulkt. Maar in hun linkse ideologische verblinding beseffen vele postmodernistische hemelbestormers niet dat mensen méér gemeen hebben dan alleen maar armen en benen en materiële behoeften. Mensen willen samen léven. Samenzijn, in onderling vertrouwen en in het besef op elkaar te kunnen rekenen: dat behoort ook tot de menselijkheid. Zulks schept warmte en het gevoel niet alleen voor de zorgen van de wereld te staan.

We hebben dus behoefte aan een doorlééfd gemeenschappelijk project. Ziedaar de behoefte die écht aan de basis van het vermaledijde ‘populisme’ ligt: een behoefte aan menselijke warmte, aan doorleefd samenleven, aan menselijke bejegening en aan menselijk mededogen. De ideologie van de civiele Leitkultur is nodig, doch volstaat duidelijk niet. Die slaat teveel terug op een lege, theoretische burger van een theoretische maatschappij. De inwisselbare Mens van de Franse revolutionairen. Zo’n Lege Mens wordt te makkelijk opgevuld door lieden die het luidste liedje kunnen zingen zodat de meerderheid niet langer aan het woord komt. Een menselijk doorleefd gemeenschappelijk project vraagt meer: iets van de samenhang die door dat door antipopulisten gehate ‘ene volk’ worden belichaamd. Hoe inderdaad valt zo’n project te denken binnen een wereld waarin iedereen vooral met zichzelf bezig is en mensenrechten herleid werden tot schamel individualisme? Wat te denken van een wereld waarin je vooral geen nationalist mag zijn maar straffeloos een hele nochtans rendabele fabriek mag sluiten en meteen een gemeenschap van duizenden banen beroven?

De mensen zoeken elders soelaas

Dit is echt niet de wereld die we moeten willen. Het lijkt ook allemaal zo akelig veel op de Heerlijke Nieuwe Wereld! Was het dit waarop de Verlichting en de Emancipatie moesten uitlopen? Baart het dan verwondering dat mensen al dat antiracistisch gezwets en de hele wereld die daarmee samengaat grondig beu worden, zich van de officiële, politiek correcte retoriek afkeren en elders soelaas zoeken?

Er bestaat natuurlijk een banaal gezanik dat aan cafétogen te horen valt en in sommige fora van bepaalde kranten te lezen staat. Het berust op onkunde en onbegrip en op een ontevredenheid, die van alle tijden is. Het is de massa waarover Maarten Toonder zijn Heer Bommel liet zeggen dat een massa altijd naar Lemland zoekt waar alles beter is.

Maar er bestaat ook een onderbouwd verzet tegen een politieke en bestuurlijke elite, die niet voldoende getuigt van solidariteit met de gemeenschap waartoe ze behoort. Dat verzet is een uiting van een gezond verlangen naar een authentiek en geëmancipeerd menselijk bestaan en voor deze groep mag het woord populisme niet als scheldwoord gebruikt worden (Abicht, 2012).

Niet alleen is er op die elite veel kritiek mogelijk: ook de wereld zelf waarin we leven, en het leven zelf, brengen een hoop psychologische en existentiële moeilijkheden met zich mee. Niet voor niets brengen sommigen de hoge zelfmoordcijfers hiermee in verband.

Mensen verzetten zich tegen een dergelijke wereld, want die ontglipt de modale mens steeds meer. Wat botst met de gronddoelstellingen van de Verlichting én met een rechtvaardige emancipatie. De ervaring van machteloosheid komt bovenop de fundamentele zorgelijkheid van het menselijke existentiële tekort, waarover filosofen als Heidegger zo uitvoerig schreven. Het is onbegrijpelijk dat onze elite blind blijkt voor deze existentiële zorgen doch zich intussen kennelijk wentelt in haar eigen comfortabele leven. De krant meldde onlangs dat Karel de Gucht per jaar 125.000 euro blijft ontvangen. De Gucht die elk Vlaams ontvoogdingsstreven zegt te willen bestrijden.

Onhandigheid is geen oneerlijkheid

Het plebs schamperend populisten noemen is dan ook, in de zin van A. Margalit (2001), onfatsoenlijk. Toch worden mensen die ijveren voor een samenhangende écht inclusieve volksgemeenschap op één hoop gegooid met de eerste, zanikende groep. Een volksgemeenschap waarin iedereen zich met elkaar kan identificeren en daardoor elkaars zorgelijkheden kan dragen (en daarvoor ook verzet aantekent tegen een ontwrichtende massa-immigratie van vaak gelukzoekers) Dat is volkomen misplaatst.

Deze ‘populisten’ staat integendeel een ander wereldbeeld voor ogen en daarin is geen plaats voor postmoderne mythes zoals superdiversiteit (Vertovec, 2007) of de retoriek van extreemlinks, dat zijn eigen basis – het volk – slechts ondermijnt.

Niet deze ‘populisten’ zitten fundamenteel fout: men kan hen hooguit onhandigheid verwijten. De ware vijand is het antipopulisme, de elitaire vijanden van de democratie, die daarom met alle krachten die in deze uitgeputte maatschappij nog aanwezig zijn, bestreden moeten worden. Door zoiets te doen toont de democratie, die volgens Spinoza het dichtst bij het natuurrecht staat (Hazard,1990), alvast op één punt haar zin: dat een volk op gezette tijden het recht in eigen handen kan nemen en de zelfbenoemde elite eruit kan schoppen.

Als deze houding neerkomt op een pleidooi voor populisme, dan ben ik inderdaad een populist.

En ik ben er nog trots op ook.

(slot)

Jaak Peeters

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!

Wie dit essay in zijn oorspronkelijke vorm wil lezen, kan terecht op het discussieforum van Dwarsliggers