De her-islamisering is al een oud zeer (2)

De her-islamisering is al een oud zeer (2)

Het boek Erdoğan. Perceptie, reflectie, analyse opent met een verhelderend maar toch onvolledig overzicht van Maurice Becker over De politieke voorgangers van Recep Tayip Erdoğan. In goed 25 bladzijden schetst Becker een overzicht van bijna een eeuw Turkse politieke geschiedenis. Dat is meer dan nuttig, want over het algemeen weet het grote publiek daarvan (en met het grote publiek de meeste journalisten) zo goed als niets. Men blijft meestal steken in het sjabloon: Atatürk moderniseerde het land door de imams in hun moskeeën te jagen, en dus was het aardig op weg in de richting van Europa en de democratie. Tot die stoute Erdoğan de islam weer uit die moskeeën bevrijdde, en alles op de helling zette. Dat is een trieste karikatuur.

De gedwongen modernisering

Om te beginnen was Atatürk helemaal geen democraat maar een autocraat, hij legde zijn wil op aan een volk dat in 1923 vertwijfeld was achtergebleven nadat de illusie van vijfhonderd jaar expansief sultanaat brutaal in elkaar was gestuikt. Misschien had hij daarbij ook geen keuze, gezien de remmende kracht van de ulamā. Hij kon dat verzet breken omdat hij als generaal Mustafa Kemal twee uitzonderlijke militaire exploten had verwezenlijkt: in 1915 had hij een cruciale rol gespeeld in de Slag bij Gallipoli (aan de Dardanellen) en een Brits expeditiekorps (overigens grotendeels bestaand uit Australiërs en Nieuw-Zeelanders) van Turkse bodem verdreven. Er vielen 170.000 doden en het kostte de toenmalige Britse minister van marine, Winston Churchill, zijn portefeuille.

Maar het vermolmde sultanische leger ging toch ten onder met de centrale mogendheden (Duitsland en Oostenrijk). Tegen het einde van de oorlog bezetten de Britten met de Fransen, Italianen en Grieken, vitale delen van het land (Istanbul en Izmir/Smyrna), op een Anatolische rompstaat rond Ankara na. Terwijl ook nagenoeg geheel de Arabische wereld, die tot dan schatplichtig was geweest aan de Ottomaanse sultan/kalief, losgerukt werd van de Turkse overheersing. Dat leidde tot het Verdrag van Sèvres (1920) waarbij Turkije werd ontmanteld. Onder andere de Koerden kregen een eigen staat.

Kemal bouwde het Turkse leger vanuit Ankara weer op, wist de Grieken te verdrijven en het huidige Turkije af te ronden. Er kwam een nieuw verdrag, dat van Lausanne (1923) dat niet volkomen voldeed aan de Turkse wensen, maar de ontmanteling terugschroefde en een deel van Koerdistan met geweld weer inlijfde. Dat bezorgde Kemal een zo groot prestige dat hij er in slaagde het sultanaat (het militaire leiderschap) en kalifaat (het gecombineerde geestelijk/staatkundig leiderschap over de islamitische wereld) formeel te beëindigen; en de Turkse republiek te vestigen.

Het Sèvressyndroom als paranoia

In een andere bijdrage in het boek (p. 118) maakt Wim van Rooy duidelijk dat Mustafa Kemal niet in een vacuüm handelde, maar bouwde op een uitgebreide en modernistische bureaucratie die reeds onder de sultans was tot stand gekomen, tijdens een spectaculaire hervormingspoging vanaf 1839 en die Tanzimat wordt genoemd. Die had geleid tot de beweging van de Jong Turken, die onder het bewind van ‘de drie pasha’s’ sultan Mehmet V vanaf 1913 al zijn macht had ontnomen. Het is hun natievorming naar westers model, en niet de Ottomaanse achterlijkheid, die verantwoordelijk is voor de Armeense genocide van 1915. Die vloeide voort uit een poging het volk te ‘homogeniseren’ en de minderheden (de dhimmi’s) steviger te controleren, door het milletsysteem uit te schakelen dat tot dan elke etnie of religieuze gemeenschap een grote interne autonomie had toegestaan.

Natuurlijk, de sultans waren geen koorknapen geweest en hadden niet weinig misdaden op hun geweten (denken we maar aan de devshirme, de jaarlijkse knapenroof in christelijke dorpen om het leger te bemannen). Maar de georganiseerde hysterie tegen de Armeniërs (die ervan verdacht werden een vijfde colonne te vormen in dienst van de Russische tsaar) was niet Mehmets werk, maar dat van paranoïde ‘nationalisten’. Kemal nam geen deel aan hun excessen, maar bouwde wel voort op hun nationalistische centralisatie. ‘Zijn’ republiek was eerder een sluitstuk dan een nieuw begin, al heeft zijn achterban wel doen geloven dat alles met hem begon.

Kemal zette vervolgens alles op een radicale modernisering, gedragen door een verregaande secularisering en een schijndemocratisering met slechts één partij, de CHP (Cumhuriyet Halk Partisi), de Republikeinse Volkspartij. Die CHP zal zich later ontwikkelen tot een sociaaldemocratische partij. De kern van zijn politieke lijn was evenwel een volksnationalistische paranoia, het Sèvressyndroom: Turkije voelde zich omringd door vijanden (Griekenland, de Sovjet Unie, de Arabieren niet te vergeten, de Koerden, de Britten op Cyprus); het moest zich op eigen kracht ontwikkelen om van ‘zieke man’ weer een gezonde natie te worden. Het moest worden ‘als’ Europa om Europa aan de deur uit te houden. Kemals model was Lenin en meer nog Stalin met zijn versnelde industrialisering van bovenaf, zonder echter dat het communisme hem aantrok.

Het leger als kern van de natie

De kern van zijn achterban was het leger, en dat was logisch ook: het Ottomanisme was altijd een roversstaat geweest, de term voor een krijgsheld was gazi. Die was afgeleid van de Arabische term ghazwah, wat plundertocht betekent. Als Erdoğan het vandaag over Mustafa Kemal heeft, dan gebruikt hij liefst niet zijn officiële titel ‘Atatürk’, maar die andere titel, Gazi of krijgsheld (Becker p. 15-16). De Ottomaanse legerleider was echter een plunderaar geweest en het enige waar de sultan graag in investeerde was het leger. Het gevolg was dat de best gevormde kaders vaak opgeleid werden in het buitenland (vooral Berlijn), en dus met ‘westerse’ ideeën thuis kwamen. Die westerse ideeën, die Kemal beïnvloedden aan de militaire school, hadden echter minder vandoen met democratie dan wel met efficiëntie.

Kemal probeerde een nieuw Turkije te scheppen dat de Ottomaanse inertie achter zich liet. Dat deed hij met decreten van bovenaf, die vaak tot stand kwamen tijdens nachtelijke drinkgelagen. Zijn eerste staatsmonopolie zou dat geweest zijn van raki, de ‘verboden’ Turkse jenever/pastis. Hij overleed in 1938 aan levercirrose (hij was niet slechts een atheïst maar ook een beruchte alcoholicus). Hij werd opgevolgd door zijn trouwe (en verbeeldingloze) luitenant Ismet Inönu. In 1945 voelde die zich verplicht om meerdere partijen toe te laten, om aan te kunnen sluiten bij de westerse geallieerden. Ondertussen gleed Turkije economisch de berg af, onder andere omdat het leger zich ontwikkeld had tot een staat in de staat, en in belangrijke sectoren overheidsmonopolies had gecreëerd die geleid werden door generaals op rust, met ondermaatse kwaliteiten als ondernemers. Een leuk bijkomend pensioen, maar tegelijk een stevige rem op de dynamiek. Ze roomden de rijkdom af en creëerden een kaste ‘nouveaux riches’ die zich ‘verlicht’ achtte en met dedain neerkeek op het ‘achterlijke’ volk, en uiteraard zijn dorpsgeestelijken. Een situatie vergelijkbaar met die zich later zal voordoen in het Egypte van Mubarak.

Moslims misbruikt voor liberalisme

De jonge burgerij en intelligentsia – in feite de seculiere ‘kinderen’ van het kemalisme – voelden zich daardoor in hun initiatief gesmoord, ongeveer zoals de facebookgeneratie later in Egypte. Ze sloten zich aan bij de DP (Demokrat Parti) van de ‘afvallige’ Adhan Menderes. Dat was een overtuigde moslim die grote delen van de plattelandsbevolking voor zich wist te winnen met de belofte de secularisering weer terug te schroeven en de islam weer dominant te maken, maar hij beschikte niet over stoottroepen als de Moslimbroeders. Let wel: de stroming ter herislamisering werd dus niet ingezet onder of door Erdoğan, maar is al ongeveer zeventig jaar actief.

Menderes overwon Inönu in de stembus maar slaagde niet omdat hij met de stemmen van de moslims uit de dorpen net die stedelijke intelligentsia aan de macht bracht, die wezenlijk seculier was. De persoonlijkheidscultus rond Atatürk werd gewoon voortgezet, om Inönu te doen vergeten. Er werden weer islamitische scholen geopend, en religieuze propaganda toegestaan, maar daar bleef het zowat bij. Waar wel een einde aan kwam, was de verstaatsing van de economie en het streven naar autarchie, dat Atatürk zo dierbaar was geweest. Onder Menderes brak de economie open, maar de basis was te zwak. Er ontstond een galopperende inflatie waar natuurlijk de armere lagen van de bevolking (en dus het platteland waar Menderes’ machtsbasis lag) de prijs voor betaalden. Het is de fase van ‘primitieve accumulatie’ in marxistische termen, waarbij de landbouw verarmt om de industrialisatie (via goedkope voedselprijzen) te financieren.

Tegen 1960 verkeerde het land in een volkomen impasse en het leger van de natie die sinds 1952 tot de NAVO behoorde, pleegde als ‘hoeder van de grondwet’ een staatsgreep. De militairen jaagden ditmaal niet de imams in de moskeeën, maar de intelligentsia in haar universiteiten. Zij werden gesteund door de partij van Atatürk/Inönu, de CHP. In 1961 keerden de militairen terug naar de kazernes en vonden er vrije verkiezingen plaats. De DP van Menderes trad aan onder een nieuwe naam, de Gerechtigheidspartij AP (Adalat Partisi), geleid ditmaal door Süleyman Demirel. Hij wist opnieuw het platteland te mobiliseren met beloftes van herislamisering.

Nationalisme vermomd als islamisme

Tussen 1965 en 1971 hervatte deze AP echter de liberale politiek van de DP ten voordele van de stedelijke burgerij, weer met stemmen van het platteland. Het scenario herhaalde zich: inflatie en groeiende kloof tussen rijk en arm. Als reactie ontstond een ‘zuivere’ islamitische partij, de MNP, de Partij van de Nationale Orde (Millî Nizam Partisi) van Necmettin Erbakan. Erbakan had eerder Millî Görüş opgericht (Nationale Visie), een beweging die een Turkse vorm van salafisme verkondigde. Merkwaardig genoeg beriep hij zich niet uitsluitend op de islam, maar ook op de paranoïde traditie van Atatürk: Turkije omringd door vijanden maar met een grootse roeping vol nostalgie naar het Ottomaanse sultanaat.

In Erbakans optiek evenwel mocht Turkije zich niet isoleren, maar moest het opnieuw aansluiting zoeken bij de islamitische wereld tegen de westerse decadentie en het ‘zionistische complot’ van Europa. Wat fout liep in Turkije was te wijten aan die decadentie, maar opvallend is dat zelfs bij deze peetvader van de islamitische vernieuwing de nationale heropstanding de centrale gedachte bleef.

Het land verzandde ondertussen weer in chaos en in 1971 grepen de militairen opnieuw de macht. De VS die ondertussen in dat andere NAVO-land Griekenland een autoritair kolonelsregime steunden (1967-1975) dat eveneens ‘orde op zaken wilde stellen in de democratische chaos’, gedoogden ook deze staatsgreep. De MNP van Erbakan werd als te islamitisch en dus ongrondwettelijk verboden.

De Grijze Wolven doen hun intrede

In 1973 kwam de CHP, nu geleid door Bülent Ecevit, de schoonzoon van Inönu, en ondertussen op duidelijk sociaaldemocratische leest geschoeid, als winnaar uit de stembus.  Maar omdat hij de meerderheid niet had, was Ecevit verplicht tot een coalitie met de als Partij van Nationale Redding MSP (Millî Selâmet Partisi) heropgerichte MNP van Erbakan. Dit monsterverbond hield niet lang stand en er kwam een nieuwe regering, ditmaal van Erbakan met de CKMP (Cumhuriyetçi Köylü Millet Partisi) van Alparslan Türkeş, de Nationale Republikeinse Partij van de Boeren (of Dorpsbewoners).

Türkeş was nog mede-oprichter geweest van het Gladio-netwerk van de NAVO in Turkije, woordvoerder van de militaire staatsgreep van 1960, en in 1969 oprichter van de Grijze Wolven (Bozkurtlar). Dat is een openlijk fascistische organisatie, op islamitische leest geschoeid. Er zijn hardnekkige geruchten dat uit het Gladio-netwerk – een stay behind groep, gevormd om terreur te plegen mocht de Sovjet-Unie aanvallen – in Turkije een Ergenekon-groep werd gevormd die als ‘diepe staat’ achter de schermen van de Turkse politiek opereert. Het is bijzonder moeilijk om daar zicht op te krijgen zonder in complottheorieën te vervallen. In België werd alleszins al dertig jaar geleden geopperd dat Gladio-leden het echte brein vormden achter de Bende van Nijvel.

Türkes mocht je zonder aarzelen een islamofascist noemen. Toch was het primaire bindmiddel tussen hem en Erbakan niet de islam, maar een panturkisme dat al ontstaan was in de nadagen van het sultanaat. Dit was een volksnationalisme dat stelde dat het goed was dat Turkije die vervelende Arabieren kwijt was (waar ze op neerkeken als op een minderwaardig ras omdat het zich door de Ottomanen had laten onderdrukken); en dat Turkije aansluiting moest zoeken bij de fiere Turkse steppevolkeren in het toenmalige Sovjetische Centraal-Azië (Turkmenistan, Uzbekistan, Kirgizië, Khazakstan). Hun grote verwijt aan de CHP was dan weer niet dat die partij sociaaldemocratisch was geworden, maar wel dat zij het nationalisme van Atatürk had losgelaten.

Een vrouwelijke advocate als premier

De chaos installeerde zich ondertussen weer, met onder andere terroristische aanslagen door zowel rechts- als links-extremisten. In 1980 greep het leger al voor de derde keer in twintig jaar de macht. Demirel, Ecevit en Erbakan werden gevangen gezet, Türkes dook onder. De nieuwe sterke man werd generaal Kenan Evren. Hij patroneerde de ingenieur Turgut Özal, een kaderlid van de Wereldbank met een vorming in de VS maar ook islamitische wortels en grote bewondering voor Menderes. De economische politiek van de DP/AP werd hernomen door Özals Moederlandpartij (Anavatan Partisi). Er vond opnieuw een her-islamisering plaats; tegelijkertijd streefde hij pragmatisch naar verzoening met Koerden en Armeniërs. Dat namen de volksnationalisten hem bijzonder kwalijk. In 1993 werd hij geveld door een harstilstand. Later zal blijken dat dit waarschijnlijk te wijten was aan vergiftiging, maar ook dat blijft duister.

Ondertussen had Demirel zijn DP/AP nog maar eens heropgericht als DYP (Dogru Yol Partisi), de Partij van het Rechte Pad. Hij bemachtigde het presidentschap na Evren, ging een coalitie aan met de sociaaldemocraten van CHP en schoof een beschermelinge naar voren als premier, de eveneens in de VS geschoolde Tansu Çiller (Yale). Een vrouw nota bene. En dat door iemand die de her-islamisering ooit had willen bevorderen. De neoliberale politiek werd voortgezet, met verdere privatisering van staatsbedrijven, maar opnieuw sloeg de inflatie op hol. Altijd hetzelfde probleem: de financiële basis voor een doorgedreven modernisering was te zwak.

Tegelijkertijd schroefde Çiller de her-islamisering van Özal terug. Dat gaf Erbakan opnieuw de wind in de zeilen die zijn MNP had heropgericht als RP, Welvaartspartij (Refah Partisi). Een veelbelovende volgeling was de jonge politicus Recep Tayyip Erdoğan. Hij won de gemeenteraadsverkiezingen in Istanbul, voornamelijk door stemmen van plattelanders die naar de stad waren ‘gevlucht’, daar ontworteld leefden en hun toevlucht zochten in wat zij kenden, de moskee. Hij werd burgemeester van de uit haar voegen barstende stad (17 miljoen inwoners). In 1996 won Refah de algemene verkiezingen, Erbakan werd premier. Maar in 1997 wrong het leger zijn arm om en werd hij – in wat feitelijk weer een staatsgreep was – met de hulp van Demirel afgezet.

Van martelaar tot schijndemocraat

In 1998 stelde het hooggerechtshof Refah buiten de wet omdat zij in haar partijprogramma het verlangen naar de Shariah bekrachtigde. Erdoğan zelf moest in 1999 zijn burgemeester-ambt neerleggen nadat hij een oud gedicht had geciteerd waarin gezegd wordt dat minaretten bajonetten zijn en moskeeën kazernes. Hij ging zelfs vier maanden de gevangenis in. Het islamitisch activisme werd vervolgd, maar de economie bleef wankelen en corruptieschandalen onder Erdoğans tegenstrevers choqueerder  de kiezers.

Erdoğan positioneerde zich aanvankelijk als martelaar, maar koos dan eieren voor zijn geld en werd Mr. Proper. Hij verwierp het radicalisme van zijn leermeester Erbakan en richtte zijn AKP op, de Partij van Gerechtigheid en Ontwikkeling (Adalet ve Kalkınma Partisi). Die zette hij neer als een islamitische christendemocratie, islamitisch van inspiratie, modern qua werking en fundamenteel democratisch. Daarmee wist hij zelfs Fethullah Gülen, de grote afwezige in deze bundel, in het ootje te nemen. In 2002 won hij overtuigend de verkiezingen op dit platform (34 procent). Dan begon het tijdperk Erdoğan, dat voortduurt tot vandaag, en summier beschreven wordt in een ander stuk in de bundel door Armand Sağ, Van klein broertje in Europa tot puberende tiener.

Eddy Daniels

Lees verder: De megalomanie van de puberende tiener (3)

Anton Kruft & Perry Pierik ed., Erdoğan. Perceptie, reflectie, analyse, Uitgeverij Aspekt, 17,95 €.

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze Facebook-pagina, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch