“Wie niet gelooft, moet leren zwijgen” (2)

“Wie niet gelooft, moet leren zwijgen” (2)

Je moet sunnitische imam zijn om over de Koran te mogen praten, aldus Tijani Boulaouali in antwoord op Louis Ide. Alsof je gelovige christen moet zijn om een mening te mogen hebben over de Evangeliën. En alsof je geen discussie mag voeren over de openbare orde als één van de partijen zich op theologische argumenten beroept om die discussie te sluiten. Ik reageerde daar al op in eeen eerder stuk “Zij” creëren helaas een “wij-zij”-debat.

Louis Ide, algemeen secretaris van N-VA, plaatste een opiniestuk “Het christendom heeft zich aan de Verlichting aangepast. Kan de islam dat ook?” op Knack.be (01/09, 07/09//16). Hij stelt daarin dat de ummat al-Islamiyah of de moslimgemeenschap - dikwijls ook 'ummah' genoemd - een universele orde creëerde die zo autoritair is dat ze geen enkele macht naast zich duldt. “Daarin dient de Koran naar de letter gevolgd te worden, een andere bron van autoriteit, zoals de ratio is er niet,” zegt hij. Met als conclusie: “Daarom kan de gematigde moslim die vandaag de Koran op een redelijke manier wil interpreteren het praktisch nooit halen van de fundamentalist want deze laatste verwijst naar de letterlijke Koran als volmaakt geschenk van God en die stel je niet in vraag.”

Mohammed zelf gaf het voorbeeld

Ide refereert dan naar de Iraans-Nederlandse rechtsfilosoof Afshin Ellian die stelde dat Mohammed zelf een gewelddadig leven leidde. Elian haalde daartoe het voorbeeld aan van de door Mohammed aangemoedigde sluipmoord op de dichter Ka'b ibn al-Ashraf in Jathrib/Medina, wat wezenlijk een aanval was op de vrije meningsuiting. Ide concludeert daaruit dat de ummah in conflict komt met de Verlichting. “De waarden zijn compleet tegengesteld.” Daarbij verwijst hij naar een stuk van Rik Van Cauwelaert “Niet voor Blanken” in De Tijd (19/09/16). Die stelde na lectuur van "Les Blancs, les Juifs et nous" van Houria Bouteldja vast dat de radicale emancipeerders van de moslims in Frankrijk er tegelijkertijd op zijn zachtst gezegd zeer vreemde opvattingen op nahouden over de democratie, zeker als het om niet-moslims gaat. Wat het samenleven van socialisten en moslims in eenzelfde partij, wat aanvankelijk een succesverhaal leek, zeer sterk heeft bemoeilijkt tot onmogelijk maakt. Zoals ook bij ons in SP.A is gebleken na de recente gebeurtenissen in Turkije en de daarop volgende agitatie in de Turkse gemeenschap in ons land.

“Wij, de ummah staan daarboven, er is maar één God, en hij ­ anders dan de christelijke God ­ deelt zijn macht niet,” zo vatte Louis Ide zijn visie op de islam samen. Om prompt een repliek te krijgen van Tijani Boulaouali van het Platform Vlaamse Imams en Moslimtheologen (Knack.be 23/09/16). Boulaouali is islamleraar, auteur en vaste columnist op Knack.be. Hij begint met Ide te prijzen wegens zijn inbreng in een noodzakelijk debat, maar schakelt dan snel over op inhoudelijke kritiek. De kern daarvan is dat Ide “een politieke en ideologische benadering hanteert voor een kwestie die een theologische en hermeneutische aanpak vergt.” Ter verduidelijking: hermeneutiek betekent dat je een fenomeen maar kunt begrijpen als je het in zijn context ziet. Meteen ontwijkt hij wat Ide heeft gezegd, want hij begint erover dat er diverse vormen van islam bestaan, zoals er diverse vormen van christendom bestaan. Maar dat was niet wat ter sprake was. Ide had het niet over verschillende islams, maar over het heilig boek, de Koran, dat ze allemaal gemeen hebben. En hij stelde dat dit boek (en zijn profeet) intrinsiek totalitair en gewelddadig waren, zodat de gematigde moslims erdoor geblokkeerd worden.

Boulaouali beseft dat en begint dan belerend uit te leggen dat Ide er eigenlijk niets van begrepen heeft. Zo verwijt hij hem dat hij het begrip ummah hanteert voor de islamitische gemeenschap terwijl dat gebruikt wordt voor elke gemeenschap. Hij gaat voorbij aan het feit dat Ide wel degelijk uitgelegd had dat hij ummah al-islamiyya bedoelde. Dat is dus al een schot in de lucht, waaraan Boulaouali ontzettend veel woorden verspilt. Dan geeft hij zelf een historisch voorbeeld om de ruimdenkendheid van die islamitische ummah aan te tonen. Ook daarbij slaat hij de bal mis als hij erop wijst hoe idyllisch de christenen en joden wel konden leven in de Arabische wereld. Ze werden er geduld als ze zich nederig gedroegen en een hoofdelijke belasting betaalden (de jizya).

De kruisvaarten waren een tegenaanval

Boulaouali vergeet ook te vermelden dat die wereld christelijk was toen hij, vanaf 634, overweldigd werd door de bedoeïenen, zodat het eigenlijk de moslims waren die bij de christenen leefden. Die werden minderheden in hun eigen land, naarmate steeds meer mensen zich tot de islam bekeerden. Niet uit overtuiging (want de Arabieren mochten volgens het Edict van Umar aanvankelijk zelfs geen bekeerlingen maken), maar om van de jizya en de constante discriminaties verlost te worden, die beschreven worden in dat Edict. En waar bijvoorbeeld de koptische Egyptenaren (de oorspronkelijke Egyptenaren) nog steeds onder lijden.

Boulaouali haalt ook historische voorbeelden aan: “Hoe verklaren we het feit dat de Arabische christenen met de moslims vochten tegen de kruisvaarders van de 11de tot de 13de eeuw?” Dat is eenvoudig: de Arabische bronnen van de twaalfde eeuw aanzagen de kruistochten niet als een vreemde invasie (dat zou maar gebeuren nadat de christelijke kritiek op de kruistochten bij hen doordrong, voornamelijk in de negentiende eeuw). Grote delen van het Nabije Oosten waren in de elfde eeuw nog christelijk. Zo werd het Syrische Antiochië (het huidige Antakya) bewoond door Armeense christenen. Het was pas in 1084 – dus vijftien jaar voor de herovering van Jeruzalem – in handen gevallen van de Turkse Seljuken. En dus een door moslims bezette stad toen de kruisvaarders er passeerden.

De islamofiele bewering dat de kruisvaarders het gebied van de islam binnenvielen, moet dus met een dikke korrel zout worden genomen. Daar komt bij dat de verschillende islamitische emiraten zelf constant oorlog voerden onder elkaar en de ‘Franken’ als deelnemers aan die strijd aanzagen. Zodat het herhaaldelijk gebeurde dat zij kruisvaarders inhuurden om in hun oorlogen mee te vechten. Er vochten dus niet slechts christenen met de moslims tegen de kruisvaarders, maar ook kruisvaarders met de moslims tegen andere moslims. Pikant detail: geen enkele Arabische bron uit die periode noemde de strijd tegen de kruisvaarders een “jihad”. Die naam werd wel gebruikt voor de strijd tegen andere moslims.

De Suez-oorlog was niet islamitisch

Een ander feit dat Boulaouali vermeldt: “Hoe komt dat de eerste 'jihadistische martelaar' in de moderne tijd een Arabische christen (Gul Jamal) uit Syrië was, die zichzelf liet ontploffen om de Franse oorlogsbodem 'Jeanne d'Arc' te vernietigen tijdens de Suez-oorlog in 1956, een oorlog tussen Egypte aan de ene kant en Israël, het Verenigd Koninklijk en Frankrijk aan de andere kant?” Hiermee bewijst hij eigenlijk wat hij wil ontkrachten: dat de moslims politieke oorlogen steeds religieus duiden. De oorlog ter bevrijding van het Kanaal, op gang gebracht door Gamal abd al-Nasser, was een nationalistische en antikolonialistische strijd die met de islam totaal niets te maken had. Als een Egyptische christen zich daarbij heldhaftig gedroeg, dan was dat omdat hij in Egypte zijn vaderland zag. Niet omdat hij de islam wilde verdedigen; die trouwens niet aangevallen werd.

Vervolgens bakt Boulaouali het wel bijzonder bruin. Hij ‘pakt’ Ide op het feit dat hij zich voor het gewelddadig karakter van de Koran steunt op een verhaal van Afshin Elian dat – dit ontkent hij niet – inderdaad voorkomt in de Sirat Rasul Allah, het hoog geprezen levensverhaal van de profeet door de islamitische auteur Ibn ishaq (ca 704-770). En waarin inderdaad de laffe sluipmoord wordt beschreven op bevel van Mohammed. Hij biedt daarop twee merkwaardige antwoorden. Primo. Het voorval vond plaats “in een woelige tijd van conflict en oorlog. Hij beledigde dikwijls de moslims in zijn gedichten en beschimpte de moslimvrouwen op een smadelijke manier. Zowel Elian als Ide vermelden de redenen achter de moord op Ka'b niet. Zo wordt dit incident op een ongegronde wijze als een argument gebruikt om het geweld van de islam te bevestigen.”

Zijn uitleg klopt weer niet. Men kan het verhaal in geuren en kleuren lezen in de alom geprezen vertaling van Alfred Guillaume uit 1955 (548-553b; p. 365-369). Maar ook in de voortreffelijke vertaling van al-Tabarī’s Ta'rikh (7, 1368-1372b; p. 97). En in de Kitab van Ibn Sa’d, (II/1; p. 36-39). Daaruit blijkt dat Ka’b niet begon met te beledigen maar met rouwgedichten voor de Mekkaanse gesneuvelden tijdens de slag bij Badr. Daar was Mohammed erop uit geweest een karavaan van Quraysh te beroven, wat uitgelopen was op een veldslag die hij gewonnen had omdat hij zijn manschappen, tegen de Arabische traditie in, opgedragen had te slaan om te doden. Een hofdichter van Mohammed, Hassan ibn Thabit, antwoordde daarop met beledigingen aan het adres van de rouwende Ka’b, waarna de toon ging stijgen. Na zijn terugkeer in Jathrib (Medina) had Ka’b de moslimvrouwen ook niet beschimpt, maar liefdesgedichten geschreven aan hun adres, waarbij hij zich afvroeg waarom de vrijgevochten vrouwen van zijn stad zich onderwierpen aan een vreemdeling die hen wilde herleiden tot de status van slaafse bedoeïenenvrouwen. Dat werd als een belediging beschouwd.

Boulaouali heeft de Koran niet gelezen

Maar over zoiets kan men eindeloos discussiëren, belangrijker is het tweede argument van Boulaouali. “Bovendien wordt verwezen naar het geweld in de Koran zonder het te bewijzen uit de Koran, omdat Louis Ide, die onlangs voor het eerst in een Koran bladerde, geen één gewelddadig koranvers kon vinden. Waarom gebruikte hij anders een profetische overlevering, terwijl zijn betoog het geweld in de Koran betrof?”

Dit is natuurlijk grappig, ware het niet zo luguber. Ide wordt ‘gepakt’ op het feit dat hij toegeeft dat hij de Koran nauwelijks kent en zijn onwetendheid wordt als bewijs aangevoerd dat de Koran dus niet gewelddadig is. Men zou haast gaan geloven dat Boulaouali zelf de Koran niet kent. Wat niet eens verwonderlijk zou zijn, want het is een erg verward en verwarrend boek en de imams leren het wel vanbuiten maar niet kritisch bekijken. Men moet het ook in het Arabisch lezen, zo wordt beweerd, maar dat is niet omdat men dan de betekenis beter begrijpt, maar omdat men dan beter betoverd raakt door de schoonheid van zijn poëtische taal. Althans, dat is het argument dat zelfs een verketterde Korangeleerde als Nasr Abu Zayd gebruikte die de lectuur “een literair, artistiek en godsdienstig genot” noemde (in Mijn leven met de islam, 2002, p. 20, 22).

Ik zal Boulaouali daarom maar even uit zijn poëtische verdoving helpen. Hij zou surah 2:190-191 kunnen lezen, of 9:29 of 47:4. Ik citeer er maar enkele uit de losse pols, als hij er meer wil hebben dan mag hij mij een mailtje sturen, ik heb er nog enkele tientallen bij de hand (en dan gebruik ik enkel de meest expliciete). En voor het geval dat hij het geijkte argument gebruikt dat je verzen niet geïsoleerd maar in hun context mag lezen, kan ik hem ook wel de context meegeven uit de Hadith, aan de hand van de geciteerde Ibn Ishaq, al-Tabari en Ibn Sa’d. Eventueel ook uit de Sahih van al-Bukhari en al-Muslim, al zijn die beiden bijna even verward en verwarrend als de Koran zelf.

Küng en Armstrong zijn perfecte dhimmi’s

Boulaouali verwijst dan naar enkele “(objectieve) westerse en moslimse filosofen en theologen o.a. Hans Kung, Henk Vroom, Karen Armstrong, John Esposito, Sjoerd van Koningsveld, Tariq Ramadan, Mohammed Arkoun.” Ik geef nederig toe, ik heb ze niet allemaal gelezen, maar ik ken het werk van Küng en Armstrong vrij goed. Wat Armstrong betreft, die bejubeld wordt door de OIC (Organisation of Islamic Coöperation): ik noemde haar ooit De ongekroonde koningin van de islamofilie (De Bron 14/01/2016). Ik nodig Boulaouali uit om dit stuk, waarin ik aantoon dat Armstrong de waarheid verdraait door van Mohammed bijna een katholieke heilige te maken, even door te nemen. In feite is zij, met Küng, de perfecte dhimmi, de onderworpen christen die het hoofd buigt voor de moslims en geen woord kritiek durft te uiten.

Hans Küng besprak ik kort in een repliek aan Selahattin Koçak, die ik De echte en de verzonnen Koran noemde en waarin ik aantoon dat Küng in zijn monumentaal werk over de islam de houding van Mohammed tegenover de Gouden Regel (doe een ander niet wat je niet wilt dat men jou aandoet) op een verwrongen wijze weergeeft (De Bron 08/07/13). Ik zal dit binnenkort verder uitwerken, eveneens op de webstek De-Bron.org, in een stuk dat ik de titel zal geven Mohammed aanvaardde de Gouden Regel niet. Men zal het binnen een week of zo daar kunnen vinden.

Dan volgt het laatste stuk van Boulaouali’s betoog, waar hij over de fabel heeft “dat de Europese Renaissance en Verlichting hun historische wortels vinden in islamitisch denken, de islamitische filosofie en civilisatie.” Hij presteert het om een reeks denkers op te sommen die ofwel de Verlichting hebben tegengewerkt, ofwel in de islamitische wereld werden tegengewerkt omdat ze de weg naar de Verlichting wezen. Ik zal dit binnen enkele dagen behandelen in een apart stuk Verlicht denken mocht van de ulama niet.

Eddy Daniels

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur. We waarderen alle opbouwende kritiek en suggesties. Reageer, op onze, of stuur ons een  bericht met uw bemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.

Vond u dit een goed artikel? Misschien wilt u ons dan ook steunen? Dat kan redactioneel, financieel of organisatorisch!